Kamerbrief over Scheldeverdragen

Den Haag – Op 27 april 2007 heeft Minister Verburg van het Ministerie van Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een brief gezonden aan de Tweede Kamer over de Scheldeverdragen. De minister licht toe hoe het in de Westerschelde gaat met natuurherstel, ontpoldering en vaarwegverruiming. Ook de motie Van der Staay komt aan bod.

Hieronder leest u de volledig brief Scheldeverdragen. Kamerstuk | 27-04-2007.

Geachte Voorzitter,

Graag informeer ik u, mede namens de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, over
de stand van zaken van de Scheldeverdragen, waaronder het natuurherstel en de daarvoor voorgestelde ontpoldering. Ook geef ik antwoord op uw vraag in hoeverre
ontpoldering en natuurcompensatie zijn gekoppeld aan de verruiming van de vaargeul
van de Westerschelde. Ik ga hiermee in op het verzoek van uw vaste commissie voor
Verkeer en Waterstaat van 29 maart 2007 (07-VW-B-017).

In deze brief ga ik in op:

  • 1. Natuurprogramma en voortgang;
  • 2. Relatie natuurprogramma – vaarwegverruiming;
  • 3. Zeeuwse oplossing voor het natuurherstel van de Westerschelde;
  • 4. de uitvoering van de Motie Van der Staay.

Ik besluit deze brief met een conclusie en een verzoek aan uw Kamer.

1. Natuurprogramma en voortgang
Het natuurprogramma maakt onderdeel uit van het Verdrag over de uitvoering van de
Ontwikkelingsschets 2010 en heeft tot doel de natuur van het Schelde-estuarium in een
gunstige staat van instandhouding te brengen. Over een reeks van jaren is sprake van een langzame, gestage achteruitgang van dit estuarium, zijn habitattypen en soorten.

Het estuarium is zowel op Nederlands als op Vlaams grondgebied onderdeel van Natura
2000, het Europees netwerk van natuurgebieden. Een deel van het gezamenlijke natuurprogramma wordt in grensoverschrijdende projecten gerealiseerd, waarvan 300 hectare op Nederlands grondgebied. Dit betreft de volgende deelprojecten:

  • 1. Het Zwin wordt met minimaal 120 en maximaal 180 hectare vergroot door het
    landinwaarts verplaatsen van dijken in de Willem-Leopoldpolder (artikel 3, eerste
    lid), waarvan circa 10 hectare in Nederland;
  • 2. In de Hertogin Hedwigepolder en het noordelijk gedeelte van de Prosperpolder
    wordt een intergetijdengebied ontwikkeld met een omvang van minimaal 440 hectare (artikel 3, tweede lid), waarvan circa 295 hectare in Nederland.

Beide deelprojecten dienen volgens het verdrag ten laatste in 2007 van start te gaan.
Voor Nederland geldt dat ten laatste in 2010 werken worden uitgevoerd of in uitvoering
worden genomen ter realisatie van minimaal 600 hectare estuariene natuur.

  • Omdat bij de uitvoering van de projecten in het Zwin en de Hertogin Hedwigepolder bij elkaar al globaal 300 ha op Nederlands grondgebied wordt gerealiseerd, resteert voor verwezenlijking in het zgn. Middengebied van de Westerschelde globaal 300 ha.

Voortgang
Op het natuurprogramma is de Rijksprojectenprocedure van toepassing. Hierna wordt de voortgang beschreven van de afzonderlijke projecten binnen deze procedure.

  • Het Zwin
    Voor het project het Zwin is de inspraakperiode voor de startnotitie/kennisgeving voor de
    milieueffectrapportage voorbij. Binnenkort zullen de richtlijnen gepubliceerd worden.
    Volgens planning verschijnt nog dit jaar het milieueffectrapport in combinatie met het
    ontwerp-Rijksprojectbesluit.
  • Hedwige- en Prosperpolder
    Het milieueffectrapport voor het project Hertogin Hedwige- en Prosperpolder zal in de
    zomer van 2007 verschijnen. Daarna is een ontwerp-Rijksprojectbesluit voorzien.
  • Middengebied
    Voor de deelprojecten in het Middengebied is de procedure opgeschort in verband met
    de bezwaren en verzet in Zeeland tegen de realisatie van de voorgenomen ontpoldering
    ten behoeve van natuurontwikkeling. Zie hierover verder paragraaf 3.

2. Relatie natuurprogramma – vaarwegverruiming
Voor de evenwichtige en duurzame ontwikkeling in het grensoverschrijdende Scheldeestuarium hebben Nederland en Vlaanderen voor een integrale aanpak gekozen. De uitvoering voor de eerstkomende periode is vastgelegd in de Ontwikkelingsschets 2010 en opgenomen in het gelijknamige verdrag. In dit verdrag wordt geregeld dat een aantal projecten en werken wordt uitgevoerd ter optimalisering van met name de veiligheid, de toegankelijkheid en de natuurlijkheid in onderlinge samenhang en met een integrale uitvoering. Er is dus bewust gekozen voor een verdragsrechtelijke samenhang tussen het natuurprogramma en de vaarwegverruiming.

Anderzijds wordt er in dit verdrag vanuit gegaan dat vertragingen, belemmeringen of
herzieningen van een bepaald project of werk de voortgang van andere projecten en
werken niet zullen verhinderen, mits de evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het
Schelde-estuarium geen gevaar loopt.

In het Schelde-estuarium is sprake van achterstallig onderhoud, zodat niet wordt voldaan aan de instandhoudingsdoelstellingen van de Natuurbeschermingswet 1998 vanwege de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Om aan deze doelstellingen te voldoen moeten maatregelen voor natuurherstel worden uitgevoerd, ook indien er geen verruiming van de vaarweg was gepland. De omvang van het natuurprogramma werd bepaald op minimaal
600 hectare nieuwe estuariene natuur, waarbij ontpoldering als ecologisch meest effectieve maatregel geldt


De koppeling tussen het uitvoeren van het natuurprogramma en de vaarwegverruiming
komt voort uit de integrale benadering van de ontwikkeling van de Schelde. Uit de
strategische milieueffectrapportage van de Ontwikkelingsschets 2010 volgt dat het totale
pakket aan maatregelen (waaronder de vaargeulverruiming) geen of weinig nadelige
gevolgen zal hebben voor het estuarium. De verwachting is dat het project-MER voor de
verruiming zal aantonen dat deze geen of slechts geringe effecten zal hebben en dat
natuurcompensatie niet nodig zal zijn. De kans op schadelijke effecten wordt beperkt
door toepassing van een nieuw regiem van flexibele stortstrategie als mitigerende
maatregel. Het natuurherstel in het verdrag is dan ook geen compensatie voor de in het
verdrag geplande derde vaarwegverruiming. Uitvoering van het natuurprogramma dient
de realisering van de instandhoudingsdoelen en zal ook de draagkracht van het
ecosysteem versterken. In die zin heeft de vaarwegverruiming wel baat bij een zo gezond
mogelijk ecosysteem van de Westerschelde.

Er wordt naar gestreefd het project-MER voor de (zogenaamde derde) vaarwegverruiming na de zomer te voltooien, zodat mogelijk einde 2007 het Tracébesluit kan worden genomen en de wettelijke vergunningen, waaronder de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, kunnen worden verleend.

3. Zeeuwse oplossing
De provincie Zeeland heeft gekozen voor de regie van de uitvoering van het natuurprogramma. Deze keuze is in het convenant van 30 januari 2006 tussen het Rijk en de provincie vastgelegd. Gelet op de weerstanden in de regio tegen ontpoldering heeft de provincie de Commissie Maljers ingesteld om alternatieven te beoordelen binnen de
randvoorwaarden van natuurherstel. De mogelijkheden uit het advies van de Commissie
Maljers worden door de provincie op dit moment bezien.

In overleg met LNV is de provincie vanaf begin april 2007 met Zeeuwse maatschappelijke organisaties in gesprek om te komen tot een breed gedragen pakket van maatregelen om de natuurdoelstelling van de 600 hectare nieuwe estuariene natuur te realiseren. Dit overleg heeft al een pakket opgeleverd voor natuurherstel van de Westerschelde van deels alternatieve maatregelen, waarbij actief op zoek gegaan wordt naar een combinatie met andere functies, zoals veiligheid. Daarnaast is gezamenlijk een lange termijn agenda geformuleerd om tijdig maatregelen te treffen voor een duurzame versterking van de unieke kwaliteit en veiligheid van de Zeeuwse Delta. Concreet bestaat het pakket maatregelen uit:

  • een toevoeging van estuariene natuur in natuurprojecten langs de Westerschelde (Hertogin Hedwigepolder, Zwin, Perkpolder-oost; globaal 340 hectare);
  • de versterking van de estuariene kwaliteiten in een aantal integrale projecten langs
    de Westerschelde (Waterdunen, Perkpolder-west, Braakman; globaal 280 hectare);
  • een kwaliteitsimpuls in de Westerschelde zelf (strekdammen, Saeftinghe).

Mocht over vier jaar blijken dat de opgave nog niet volledig is gerealiseerd, dan zal de
provincie aanvullende maatregelen treffen.

Ik waardeer de Zeeuwse inspanningen en ben gaarne bereid Zeeland te steunen in de verdere ontwikkeling van de voorstellen. Daarbij zal ook aandacht uitgaan naar de effecten van de voorgenomen maatregelen op de scheepvaart en de veiligheid. Ook moet
duidelijk worden gemaakt hoe de plannen passen binnen de wettelijke bescherming van
bestaande natuurwaarden.

Geconstateerd moet ook worden dat niet alle voorgestelde maatregelen ecologisch even effectief zijn en dat brengt risico’s met zich mee ten aanzien van de wijze van realisering van het oorspronkelijke natuurdoel.

Het huidige voorstel betekent daarom dat er minder aan het habitattype Estuaria wordt hersteld waardoor het landelijk doel voor dit habitattype (waarvoor rekenschap moet
worden afgelegd aan de Europese Commissie) meer onder druk komt te staan.

Gezien de maatschappelijke en internationale context acht ik het Zeeuwse voorstel
kansrijk, maar het zal nog wel – samen met de Zeeuwse partners – verder moeten worden
uitgewerkt en mogelijk aangevuld.

Met bovenstaande aanpak is mijns inziens de ondergrens van het haalbare van een
verantwoord natuurherstel bereikt. Mocht in de toekomst uit monitoring blijken dat de
instandhoudingsdoelen voor de Westerschelde niet bereikt worden, dan zal ik op dat
moment zien of aanvullende maatregelen nodig zijn.

4. Uitvoering van de motie Van der Staay
De strekking van deze motie is dat géén sprake mag zijn van onvrijwillige (landbouw)- grondverwerving voor ontpoldering. Bovendien omvat de motie een verzoek aan de regering om zich actief en creatief in te zetten voor alternatieven voor ontpoldering. Mijn voorganger heeft volledig de ruimte gegeven voor alternatieven en de Tweede Kamer toegezegd de uitkomsten daarvan uiterst serieus te nemen. Dit is ook mijn lijn, zoals uit de vorige paragraaf blijkt.

Op dit moment is in het kader van het natuurprogramma nog altijd geen sprake van
onvrijwillige grondverwerving. Maar om te voorkomen dat speculanten hiermee
onredelijke prijsopdrijving bereiken en om mogelijk te maken dat de afspraken met
Vlaanderen worden nagekomen rest mij geen andere keuze dan de onteigeningstitel,
eigen aan de Rijksprojectenprocedure, voor eventuele bijzondere gevallen in werking te
stellen.

5. Conclusie
Zoals beschreven in paragrafen 3 en 4 heb ik al het mogelijke ondernomen om de
zoektocht naar alternatieven voor ontpoldering te ondersteunen. Het nu voorliggende
Zeeuwse voorstel voor natuurherstel is veelbelovend en gaat gepaard met een beperkter
verlies aan landbouwgronden. Het voorstel kan mijns inziens nu verder ontwikkeld en
uitgewerkt worden.

6. Verzoek

Ik vraag er tot slot, mede namens de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, uw aandacht voor, dat het Vlaamse parlement op 28 februari 2007 de vier ‘Scheldeverdragen’ heeft goedgekeurd. Deze vier verdragen vormen één pakket, gezien de weerslag van het proces van geven en nemen bij de onderhandelingen.

Ik acht het wenselijk dat de verdragen zo spoedig mogelijk in werking treden, onder
andere omdat het Verdrag over de beëindiging van de onderlinge koppeling van de
loodsgeldtarieven van groot economisch belang is voor de haven Rotterdam.

Ik verzoek u de procedure voor de goedkeuring van de vier Scheldeverdragen voortvarend ter hand te nemen, daarbij in aanmerking nemend dat deze verdragen al op 4 november 2006 aan het parlement zijn verzonden (TK 308642/3/4/6, nrs. 1).

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT,

G. Verburg

Achtergrondinformatie (verzorgd door de redactie van Infrasite)
Scheldeverdragen ondertekend

Vlaamse Parlement ratificeert Scheldeverdragen