Bouw overweegt alternatieven vroegpensioen

Gouda – Eerder dan op 65-jarige leeftijd uittreden blijft ook in de toekomst wat de bouwwerkgevers betreft bespreekbaar. De vraag is alleen welke regeling daarvoor voor zowel werkgever als werknemer het gunstigst uitpakt. Over die vraag buigen de bouwwerkgevers zich momenteel in eigen kring. Later zal het onderwerp bij de CAO-onderhandelingen aan de orde komen. Dit valt te lezen in BouwNieuws van deze week.

Zoals de kaarten nu liggen, zal in de toekomst geen sprake meer zijn van een collectieve regeling. Het zal een regeling zijn die werkgever en werknemer samen afspreken en waarbij individuele keuzes van de werknemer een belangrijke, zo niet doorslaggevende rol zullen spelen. Zo zal het aantal dienstjaren nadrukkelijker gaan meewegen, evenals de leeftijd waarop men wil stoppen en keuzes in de levensloopregeling zoals de regering die voor ogen staat.

Uittreden op 60-jarige leeftijd kan zowel werkgever als werknemer vanaf 2006 flink meer geld gaan kosten. Om de gevolgen hiervan op te vangen zal de werknemer later moeten uittreden of genoegen moeten nemen met een lagere (vroeg)pensioenuitkering.

Sommige media citeerden onlangs AVBB-voorzitter Brinkman als zou deze gezegd hebben dat alle bouwvakkers na veertig dienstjaren met (vroeg)pensioen zouden kunnen. Met een half oor geluisterd leek het daarmee alsof voor de werkgevers een onverkort handhaven van de huidige vroegpensioenregeling voor de bouw een gelopen koers was. Niets is echter minder waar. Linksom of rechtsom zal er in de komende tijd een ingrijpende wijziging van de opbouw van de vroegpensioenregeling plaatsvinden.

Vanwege het kostenplaatje voor zowel werkgever als werknemers is tevens de keuze voor de grondslag van het vroegpensioen van belang. Of liever gezegd de vraag of wordt uitgegaan van een eindloonregeling (een uitkering op basis van het laatst verdiende loon) of een middelloonregeling (waarbij het gemiddelde loon in de totale loopbaan als uitgangspunt dient). Bij een eindloonregeling bouwt de werknemer per gewerkt jaar maximaal 2% pensioen op. Wil hij een pensioen van 100% van het laatstverdiende loon, dan zal hij dus 50 jaar moeten werken. Eerder stoppen met werken levert een korting op.
Bij een middelloonregeling kan men fiscaal tot 2,25% pensioen per jaar opbouwen, tot er voldoende is gespaard voor een levenslange uitkering van het gemiddelde loon. In sectoren als de bouw is dit een minder ongunstig alternatief dan het zich op het eerste gezicht laat aanzien, omdat de loonopbouw in de bouw na de eerste jaren een vrij vlakke curve laat zien. Het (geïndexeerde) gemiddelde loon is dan niet veel lager dan het eindloon.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Persbericht AVBB

Bouw overweegt alternatieven vroegpensioen | Infrasite

Bouw overweegt alternatieven vroegpensioen

Gouda – Eerder dan op 65-jarige leeftijd uittreden blijft ook in de toekomst wat de bouwwerkgevers betreft bespreekbaar. De vraag is alleen welke regeling daarvoor voor zowel werkgever als werknemer het gunstigst uitpakt. Over die vraag buigen de bouwwerkgevers zich momenteel in eigen kring. Later zal het onderwerp bij de CAO-onderhandelingen aan de orde komen. Dit valt te lezen in BouwNieuws van deze week.

Zoals de kaarten nu liggen, zal in de toekomst geen sprake meer zijn van een collectieve regeling. Het zal een regeling zijn die werkgever en werknemer samen afspreken en waarbij individuele keuzes van de werknemer een belangrijke, zo niet doorslaggevende rol zullen spelen. Zo zal het aantal dienstjaren nadrukkelijker gaan meewegen, evenals de leeftijd waarop men wil stoppen en keuzes in de levensloopregeling zoals de regering die voor ogen staat.

Uittreden op 60-jarige leeftijd kan zowel werkgever als werknemer vanaf 2006 flink meer geld gaan kosten. Om de gevolgen hiervan op te vangen zal de werknemer later moeten uittreden of genoegen moeten nemen met een lagere (vroeg)pensioenuitkering.

Sommige media citeerden onlangs AVBB-voorzitter Brinkman als zou deze gezegd hebben dat alle bouwvakkers na veertig dienstjaren met (vroeg)pensioen zouden kunnen. Met een half oor geluisterd leek het daarmee alsof voor de werkgevers een onverkort handhaven van de huidige vroegpensioenregeling voor de bouw een gelopen koers was. Niets is echter minder waar. Linksom of rechtsom zal er in de komende tijd een ingrijpende wijziging van de opbouw van de vroegpensioenregeling plaatsvinden.

Vanwege het kostenplaatje voor zowel werkgever als werknemers is tevens de keuze voor de grondslag van het vroegpensioen van belang. Of liever gezegd de vraag of wordt uitgegaan van een eindloonregeling (een uitkering op basis van het laatst verdiende loon) of een middelloonregeling (waarbij het gemiddelde loon in de totale loopbaan als uitgangspunt dient). Bij een eindloonregeling bouwt de werknemer per gewerkt jaar maximaal 2% pensioen op. Wil hij een pensioen van 100% van het laatstverdiende loon, dan zal hij dus 50 jaar moeten werken. Eerder stoppen met werken levert een korting op.
Bij een middelloonregeling kan men fiscaal tot 2,25% pensioen per jaar opbouwen, tot er voldoende is gespaard voor een levenslange uitkering van het gemiddelde loon. In sectoren als de bouw is dit een minder ongunstig alternatief dan het zich op het eerste gezicht laat aanzien, omdat de loonopbouw in de bouw na de eerste jaren een vrij vlakke curve laat zien. Het (geïndexeerde) gemiddelde loon is dan niet veel lager dan het eindloon.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Persbericht AVBB