AVBB: Bouw wil lagere grens overgangsregeling

Gouda – De werkgeversorganisaties in de bouw blijven vasthouden aan een ruimere overgangsregeling met betrekking tot prepensioen voor de huidige oudere werknemers. Tijdens de hoorzitting in de Tweede Kamer op 11 oktober 2004 zal de sector pleiten voor verlaging van de grens die het kabinet nu op 55 jaar heeft gesteld.

Dit staat te lezen in het openingsartikel van BouwNieuws.
Wat de toekomst aangaat, realiseert de bouw zich dat het voor de economie noodzakelijk is dat ouderen langer doorwerken. Maar daarbij zal wel rekening gehouden moeten worden met het aantal jaren dat men heeft gewerkt en met de fysieke belasting die dat met zich heeft meegebracht.
Voor werknemers in de slijtende beroepen die vaak op jonge leeftijd beginnen met werken, moeten er mogelijkheden blijven om vervroegd uit te treden. Dit kan via de mogelijkheid van pensioenopbouw tot 100 % bij een richtleeftijd van 65 jaar. In combinatie met de levensloopregeling moet dit in de toekomst voor diegenen die langdurig gewerkt hebben, voldoende mogelijkheden bieden om eerder uit te treden, aldus de bouw.

De bouw is in principe zo’n bedrijfstak waar mensen al vroeg beginnen met werken en waar de fysieke belasting doorgaans hoger is dan in een doorsnee kantoorfunctie. Toch staan de bouwwerkgevers niet te popelen om de definitie “slijtend beroep” over te nemen. Waar ligt immers de grens tussen “slijtend” en “slijtvast”? Er valt geen waterdichte juridische definitie te geven. Temeer daar vanuit oogpunt van ziekteverzuim en WAO-instroom de zware beroepen zich vooral bevinden in het onderwijs en de zorg.
Veel liever ziet de bouw een regeling waarbij mensen in de loop van hun werkzame bestaan jaarlijks een percentage opbouwen waarmee ze op enig moment kunnen stoppen. Een harde leeftijdsgrens is daarbij niet in het spel. Het zal in de toekomst vooral de individuele werknemer zelf zijn die bepaalt wanneer hij wil stoppen. Minder collectief, meer individueel zal het devies worden.

Het kabinet zei tijdens de Algemene Beschouwingen het bespreekbaar te vinden dat er een overgangsregeling komt waarbij oudere werknemers een recht op prepensioen kunnen laten gelden vanaf 55 jaar. De bouwwerkgevers pleiten ervoor deze leeftijd enigszins te verruimen.

De bouwwerkgevers zetten een kanttekening bij de plannen van het kabinet voor een individuele levensloopregeling. Individuele regelingen passen bij de moderne werknemer, maar de administratieve lasten ervan moeten niet worden afgewenteld op de werkgevers. Als er een levensloopregeling komt, moet de uitvoering daarvan technisch eenvoudig zijn of worden ondergebracht bij instanties die daarin gespecialiseerd zijn, zoals verzekeraars, aldus de bouwwerkgevers in BouwNieuws.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Persbericht AVBB

AVBB: Bouw wil lagere grens overgangsregeling | Infrasite

AVBB: Bouw wil lagere grens overgangsregeling

Gouda – De werkgeversorganisaties in de bouw blijven vasthouden aan een ruimere overgangsregeling met betrekking tot prepensioen voor de huidige oudere werknemers. Tijdens de hoorzitting in de Tweede Kamer op 11 oktober 2004 zal de sector pleiten voor verlaging van de grens die het kabinet nu op 55 jaar heeft gesteld.

Dit staat te lezen in het openingsartikel van BouwNieuws.
Wat de toekomst aangaat, realiseert de bouw zich dat het voor de economie noodzakelijk is dat ouderen langer doorwerken. Maar daarbij zal wel rekening gehouden moeten worden met het aantal jaren dat men heeft gewerkt en met de fysieke belasting die dat met zich heeft meegebracht.
Voor werknemers in de slijtende beroepen die vaak op jonge leeftijd beginnen met werken, moeten er mogelijkheden blijven om vervroegd uit te treden. Dit kan via de mogelijkheid van pensioenopbouw tot 100 % bij een richtleeftijd van 65 jaar. In combinatie met de levensloopregeling moet dit in de toekomst voor diegenen die langdurig gewerkt hebben, voldoende mogelijkheden bieden om eerder uit te treden, aldus de bouw.

De bouw is in principe zo’n bedrijfstak waar mensen al vroeg beginnen met werken en waar de fysieke belasting doorgaans hoger is dan in een doorsnee kantoorfunctie. Toch staan de bouwwerkgevers niet te popelen om de definitie “slijtend beroep” over te nemen. Waar ligt immers de grens tussen “slijtend” en “slijtvast”? Er valt geen waterdichte juridische definitie te geven. Temeer daar vanuit oogpunt van ziekteverzuim en WAO-instroom de zware beroepen zich vooral bevinden in het onderwijs en de zorg.
Veel liever ziet de bouw een regeling waarbij mensen in de loop van hun werkzame bestaan jaarlijks een percentage opbouwen waarmee ze op enig moment kunnen stoppen. Een harde leeftijdsgrens is daarbij niet in het spel. Het zal in de toekomst vooral de individuele werknemer zelf zijn die bepaalt wanneer hij wil stoppen. Minder collectief, meer individueel zal het devies worden.

Het kabinet zei tijdens de Algemene Beschouwingen het bespreekbaar te vinden dat er een overgangsregeling komt waarbij oudere werknemers een recht op prepensioen kunnen laten gelden vanaf 55 jaar. De bouwwerkgevers pleiten ervoor deze leeftijd enigszins te verruimen.

De bouwwerkgevers zetten een kanttekening bij de plannen van het kabinet voor een individuele levensloopregeling. Individuele regelingen passen bij de moderne werknemer, maar de administratieve lasten ervan moeten niet worden afgewenteld op de werkgevers. Als er een levensloopregeling komt, moet de uitvoering daarvan technisch eenvoudig zijn of worden ondergebracht bij instanties die daarin gespecialiseerd zijn, zoals verzekeraars, aldus de bouwwerkgevers in BouwNieuws.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Persbericht AVBB