Kamerbrief inzake digitale tachograaf

Op 5 juli 2006 heeft Minister Karla Peijs een brief gezonden aan de Tweede Kamer over de digitale tachograaf.
Hieronder leest u de volledige brief br.8334 Tachograaf.

Geachte voorzitter,

In uw brief van 24 april 2006 verzocht u mij een toelichting te geven op de wijze waarop de Nederlandse regering zich in Europees verband opstelt ten aanzien van de in de Europese Commissie levende ideeën inzake de verplichte invoering van de digitale tachograaf. Tevens vroeg u mij in te gaan op de bereidheid van het Kabinet om zich omwille van het terug-dringen van de administratieve lasten in te zetten om de Europese Commissie te bewegen de rij- en rusttijden verordening aan te passen.

In oktober 2001 heeft de Europese Commissie een voorstel voor de herziening van de EEG verordening 3820/85 inzake rij- rusttijden gepubliceerd. De doelstelling was om ook in het kader van de invoering van de digitale tachograaf te komen tot een vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving. Hiermee wordt tevens de uniforme interpretatie van de regelgeving bevorderd. In een medebeslissingprocedure is over de herziening in december 2005 overeenstemming bereikt tussen het Europees Parlement, de Lidstaten en de Europese Commissie. De herziene verordening EG 561/2006 van 15 maart 2006 is op 11 april 2006 gepubliceerd.

Ik kan begrip opbrengen voor het ongenoegen van de transportsector voor de groepen voertuigen, die hun uitzonderingspositie in de nieuwe verordening verliezen. De Lidstaten kunnen dit echter niet ruimer interpreteren, dan de verordening toestaat.

De Nederlandse brancheorganisaties zijn de afgelopen jaren regelmatig geïnformeerd over de ontwikkelingen. Bij de onderhandelingen in Europees kader is rekening gehouden met hun visie en de wensen van de sociale partners.

In het oorspronkelijke voorstel uit 2001 was overigens al geen uitzondering meer opgenomen voor deze groep voertuigen voor het vervoer van materiaal en uitrusting, die de bestuurder beroepsmatig nodig heeft voor zover deze voertuigen de 7,5 ton overschrijden of voertuigen boven de 3,5 ton buiten een straal van 50 km van de standplaats komen. De overige voertuigen uit deze groep, onder de 7,5 ton voor zover deze zich binnen een afstand van 50 km van de standplaats bevinden, zullen conform de huidige verordening, uitgezonderd blijven.

De aanscherping betreft in feite dus alleen de groep voertuigen die een maximaal toelaatbare massa hebben van meer dan 7,5 ton en die zich op een afstand van minder dan 50 km van de standplaats bevinden.

Na afronding van het gemeenschappelijk standpunt heeft het Europees Parlement een voorstel ingediend om deze groep alsnog uit te zonderen. Tijdens de conciliatie is het EP echter akkoord gegaan met het niet opnemen van de betreffende groep.

Hoewel Nederland dat wel in de onderhandelingen heeft ingebracht, bleek het echter niet mogelijk te zijn overeenstemming te verkrijgen om de betreffende groep voertuigen verder uit te breiden. Ook het Europees Parlement heeft tijdens de medebeslissingprocedure een soortgelijk voorstel gedaan, dat evenmin aanvaard is.

Het kabinet ziet geen mogelijkheid om de discussie over dit broze compromis te heropenen.

Hoogachtend,

DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT,
Karla Peijs