Nieuwe verkeersstudie Groesbeek-A73

Nieuwe verkeersstudie moet leiden tot gedeelde voorkeursoplossing

Nijmegen – De Stadsregio Arnhem Nijmegen heeft verkeerskundig bureau Goudappel Coffeng opdracht gegeven nader onderzoek te doen naar de diverse opties voor ontsluiting van Groesbeek op de A73. Daarmee komt de stadsregio tegemoet aan de wens van de betrokken gemeenten Groesbeek, Heumen, Mook en Middelaar. Die hebben de hulp van de stadsregio gevraagd bij het zoeken van een oplossing voor autoverkeer dat zich vanuit Groesbeek een weg zoekt naar der A73. Dat rijdt nu via (sluip)routes die daarvoor in feite niet geschikt zijn.

De ontsluiting van Groesbeek op de A73 is gebrekkig: onvoldoende snel en bovendien moet het verkeer dwars door Mook heen. Dit probleem speelt al jaren en de verkeersdruk neemt met het jaar toe. De stadsregio wil in 2008 station Mook-Molenhoek openen; ook dit heeft effect op de ontsluiting van het verkeer. Bij het onderzoek zullen nadrukkelijk belangengroeperingen worden betrokken, omdat het gaat om kwetsbaar natuurgebied. Het onderzoek moet dit najaar worden afgerond. De gemeenten moeten dan volgend voorjaar tot een gezamenlijke voorkeur voor een van de opties kunnen komen.

Meer onderbouwing nodig

Al eerder werd onderzoek gedaan naar alternatieve mogelijkheden. In het voorjaar van 2006 werd een eerste verkeersstudie afgerond en zijn de resultaten tijdens een informatieavond besproken met belanghebbenden en geïnteresseerden. Op grond van de uitkomsten van die studie en de maatschappelijke reacties hebben de colleges van de betrokken gemeenten zich in beginsel uitgesproken voor variant 5 (route: Rijlaan, Heumensebaan, NS terrein, Bovensteweg, Veldweg, N271). Ook de Stadsregio Arnhem Nijmegen kon zich daarin vinden. Variant 5 is vervolgens voorgelegd aan de betrokken gemeenteraden en belangengroeperingen. Daaruit is naar voren gekomen dat de andere varianten niet zonder meer uit beeld mogen verdwijnen en dat meer onderbouwing wenselijk is.

Het nieuwe verkeersonderzoek moet alle varianten op een gelijkwaardige wijze met elkaar vergelijken om zo de voors en tegens eenduidig op een rij te zetten. De stadsregio verwacht dat dit leidt tot regionaal draagvlak voor een en dezelfde oplossingsrichting. Pas daarna zal worden bekeken welke formele procedures nodig zijn om die gezamenlijke voorkeur in de praktijk uit te voeren. Mocht blijken dat er bij de gemeenten nog steeds geen draagvlak bestaat voor een gezamenlijke oplossingsrichting dan geeft de stadsregio het probleem terug aan de betrokken gemeenten.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Stadsregio Arnhem Nijmegen (KAN)