Aanpak Prijsvraag Zuiderzeelijn

Den Haag – Minister Peijs van Verkeer en Waterstaat zet in een brief aan de Tweede Kamer uiteen hoe de eerste fase van de procedure voor de Zuiderzeelijn eruit ziet. Aanleiding daarvoor is de manier waarop de minister de moties van de kamerleden Dijksma en Hofstra uitvoert. In de brief schetst de minister in hoofdlijnen de aanpak voor de Prijsvraag als onderdeel van de geïntegreerde Tracé/m.e.r.-procedure. In de Prijsvraag worden bedrijven bij het project betrokken op het moment dat nog niet alle plannen in detail zijn uitgewerkt. De minister ziet dit als een kansrijke manier om tot publiek-private samenwerking te komen.

Uitvoeren motie Dijksma
De motie Dijksma houdt in dat met het ondertekenen van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de betrokken overheden gewaxht wordt totdat met de Kamer over de Samenwerkingsovereenkomst is gesproken en de Kamer daarbij de resultaten van de Tijdelijke Commissie Infrastructuur heeft kunnen betrekken. Vertraging van de start van de Prijsvraag in april 2005 moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
Daarom is de minister van plan met de voorzitter van de Regionale Stuurgroep Zuiderzeelijn een Startverklaring te sluiten. Daarin staan de noodzakelijke werkzaamheden beschreven die tot aan het sluiten van de Samenwerkingsovereenkomst door rijk en regio gezamenlijk worden opgepakt. Het gaat daarbij vooral om het voorbereiden van het Programma van Eisen.
Ondertekening van de Startverklaring is geen ondertekening van de Samenwerkingsovereenkomst. De Startverklaring is slechts een inspanningsverplichting van rijk en regio, gericht op de acties ter voorbereiding op de prijsvraag. Voor het starten van de prijsvraag is de Startverklaring niet toereikend. De Startverklaring laat onverlet dat de uitkomsten van de TCI worden meegenomen in de Samenwerkingsovereenkomst en in de verdere aanpak van het project.

Intentieovereenkomst met Noordvleugelpartijen
Met het oog op het tweede doel van de Zuiderzeelijn om een bijdrage te leveren aan de bereikbaarheid van de Noordvleugel en met het oog op de samenhangende besluitvorming over projecten in de Noordvleugel in 2006, is betrokkenheid van de Noordvleugelpartijen van belang.
Met de Noordvleugelpartijen provincie Noord-Holland, Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA) en gemeente Amsterdam is daarom een verklaring voorbereid, waarin de intentie wordt uitgesproken om:

– eind 2004 verdergaande afspraken te maken over de samenwerking inzake het project en de mogelijkheden te verkennen voor een financiële bijdrage van Noordvleugelpartijen;
– als Noordvleugelpartijen inhoudelijke inbreng te leveren in het Programma van Eisen voor het onderdeel Schiphol – Almere. Voor wat betreft het Programma van Eisen worden ook de provincie Flevoland en de gemeente Almere beschouwd als Noordvleugelpartijen.

De intentieverklaring wordt binnenkort ondertekend.

Uitvoeren motie Hofstra
Motie Hofstra houdt in dat alle alternatieven tegelijkertijd moeten worden opgepakt en dat geen verschil mag worden gemaakt tussen voorkeursalternatieven en terugvalopties. Het resultaat daarvan is dat de intercityalternatieven de komende periode zodanig uitgewerkt worden, dat ze op vergelijkbare wijze als de HSL en MZB kunnen worden betrokken in de besluitvorming aan het eind van de prijsvraagfase.
In de uitwerking van de referentiealternatieven zal onder meer ingegaan worden op:

– mogelijkheden om de snelheden op bestaand spoor te verhogen van 160 km/u naar 200 km/u, inclusief de kosten en de voor- en nadelen hiervan (de nieuwe infrastructuur van de ZZL-IC is reeds gedimensioneerd op 200 km/u);
– een mogelijke verbinding tussen Amsterdam en Almere via het IJmeer: mogelijke uitvoeringswijze (als heavy rail of light rail),
– mogelijkheden om referentiealternatieven in de vorm van publiek-private samenwerking te ontwikkelen.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Projectorganisatie Zuiderzeelijn

Aanpak Prijsvraag Zuiderzeelijn | Infrasite

Aanpak Prijsvraag Zuiderzeelijn

Den Haag – Minister Peijs van Verkeer en Waterstaat zet in een brief aan de Tweede Kamer uiteen hoe de eerste fase van de procedure voor de Zuiderzeelijn eruit ziet. Aanleiding daarvoor is de manier waarop de minister de moties van de kamerleden Dijksma en Hofstra uitvoert. In de brief schetst de minister in hoofdlijnen de aanpak voor de Prijsvraag als onderdeel van de geïntegreerde Tracé/m.e.r.-procedure. In de Prijsvraag worden bedrijven bij het project betrokken op het moment dat nog niet alle plannen in detail zijn uitgewerkt. De minister ziet dit als een kansrijke manier om tot publiek-private samenwerking te komen.

Uitvoeren motie Dijksma
De motie Dijksma houdt in dat met het ondertekenen van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de betrokken overheden gewaxht wordt totdat met de Kamer over de Samenwerkingsovereenkomst is gesproken en de Kamer daarbij de resultaten van de Tijdelijke Commissie Infrastructuur heeft kunnen betrekken. Vertraging van de start van de Prijsvraag in april 2005 moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
Daarom is de minister van plan met de voorzitter van de Regionale Stuurgroep Zuiderzeelijn een Startverklaring te sluiten. Daarin staan de noodzakelijke werkzaamheden beschreven die tot aan het sluiten van de Samenwerkingsovereenkomst door rijk en regio gezamenlijk worden opgepakt. Het gaat daarbij vooral om het voorbereiden van het Programma van Eisen.
Ondertekening van de Startverklaring is geen ondertekening van de Samenwerkingsovereenkomst. De Startverklaring is slechts een inspanningsverplichting van rijk en regio, gericht op de acties ter voorbereiding op de prijsvraag. Voor het starten van de prijsvraag is de Startverklaring niet toereikend. De Startverklaring laat onverlet dat de uitkomsten van de TCI worden meegenomen in de Samenwerkingsovereenkomst en in de verdere aanpak van het project.

Intentieovereenkomst met Noordvleugelpartijen
Met het oog op het tweede doel van de Zuiderzeelijn om een bijdrage te leveren aan de bereikbaarheid van de Noordvleugel en met het oog op de samenhangende besluitvorming over projecten in de Noordvleugel in 2006, is betrokkenheid van de Noordvleugelpartijen van belang.
Met de Noordvleugelpartijen provincie Noord-Holland, Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA) en gemeente Amsterdam is daarom een verklaring voorbereid, waarin de intentie wordt uitgesproken om:

– eind 2004 verdergaande afspraken te maken over de samenwerking inzake het project en de mogelijkheden te verkennen voor een financiële bijdrage van Noordvleugelpartijen;
– als Noordvleugelpartijen inhoudelijke inbreng te leveren in het Programma van Eisen voor het onderdeel Schiphol – Almere. Voor wat betreft het Programma van Eisen worden ook de provincie Flevoland en de gemeente Almere beschouwd als Noordvleugelpartijen.

De intentieverklaring wordt binnenkort ondertekend.

Uitvoeren motie Hofstra
Motie Hofstra houdt in dat alle alternatieven tegelijkertijd moeten worden opgepakt en dat geen verschil mag worden gemaakt tussen voorkeursalternatieven en terugvalopties. Het resultaat daarvan is dat de intercityalternatieven de komende periode zodanig uitgewerkt worden, dat ze op vergelijkbare wijze als de HSL en MZB kunnen worden betrokken in de besluitvorming aan het eind van de prijsvraagfase.
In de uitwerking van de referentiealternatieven zal onder meer ingegaan worden op:

– mogelijkheden om de snelheden op bestaand spoor te verhogen van 160 km/u naar 200 km/u, inclusief de kosten en de voor- en nadelen hiervan (de nieuwe infrastructuur van de ZZL-IC is reeds gedimensioneerd op 200 km/u);
– een mogelijke verbinding tussen Amsterdam en Almere via het IJmeer: mogelijke uitvoeringswijze (als heavy rail of light rail),
– mogelijkheden om referentiealternatieven in de vorm van publiek-private samenwerking te ontwikkelen.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Projectorganisatie Zuiderzeelijn