NB onderzoekt consequentie uitspraak aanbesteding OV

‘s-Hertogenbosch – Op 18 oktober 2005 heeft de voorzitter voor het College van Beroep voor het Bedrijfsleven het besluit van Gedeputeerde Staten om de offerte van de BBA terzijde te leggen geschorst. Gedeputeerde Staten nemen de komende weken de tijd om uit te zoeken wat exact de consequenties zijn van deze uitspraak. Duidelijk is geworden dat het de provincie vrij staat om bij een openbare aanbesteding van het openbaar vervoer een boven- en ondergrens te formuleren om zo financiële risico’s uit te sluiten. Hierover bestond tot op heden nog geen juridische duidelijkheid. De rechter stelt dit principe niet ter discussie, wel de wijze waarop het stond geformuleerd in het programma van eisen. Daarnaast geeft de rechter aan dat het nu aan GS is om te bezien of en hoe de aanbestedingsprocedure wordt voortgezet.

De kern in de aanbestedingsprocedure en de terzijdelegging van de offerte van de BBA is gelegen in artikel 12.1 van het programma van eisen. Dit artikel geeft aan dat na beoordeling van de offertes de economisch meest voordelige aanbieding wordt getoetst aan een boven- en ondergrens. Noord-Brabant is de eerste overheid die deze mogelijkheid heeft toegepast bij de aanbesteding van het openbaar vervoer. De rechter zegt hierover: “De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op zich geen regel van aanbestedingsrecht bestaat die verweerders (GS) het recht ontzegt om ongewenste manipulatie met het rekenmodel als door verweerders gehanteerd, te voorkomen. Verweerders komt de vrijheid toe om de correctiemethode te kiezen die zij daarbij wensen te hanteren”.

Het feit dat de aanbesteding nu hoe dan ook vertraging oploopt, heeft geen consequenties voor het openbaar vervoer in de provincie. Tot het moment waarop GS overgaan tot gunning (op basis van deze of een nieuwe aanbestedingsprocedure), blijft het openbaar vervoer in Brabant verzorgd.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Provincie Noord-Brabant