B3

De eerste ervaringen van de NS met een beweegbaar bovenleidingsysteem zijn opgedaan in het mijnverzakkingsgebied in Limburg. De noodzakelijke (hoogte-)correcties van het baanlichaam hadden grote invloed op de stand van de bovenleidingportalen (verzakking/scheefstand) en daarmee op de spanning in de draagkabel en de ligging van de rijdraden boven het spoor. Frequente aanpassingen waren noodzakelijk.  

In 1955 werden voor proef enkele zijsporen op het emplacement Beek-Elsloo omgebouwd in een beweegbaar systeem. De constructie bleek te voldoen, waarna in 1958 het baanvak Hoensbroek-Heerlen werd omgebouwd. Om hoogtecorrecties van de arm mogelijk te maken, werden uit veiligheidsoverwegingen de draagkabel en de versterkingsleiding aan isolatoren boven het spoor opgehangen.

Het eerste tracé dat voorzien werd van een beweegbaar bovenleidingsysteem was Beverwijk – Uitgeest in 1961, vooral bedoeld om eigen ervaring op te doen na succesvolle ORE-proeven in 1958.

Draagkabel en versterkingsleiding (elk 150 mm²) opgehangen aan isolatoren boven het spoor 2 rijdraden 100 mm²