Kamervragen over het storten van bagger

Den Haag – Op 9 januari 2007 heeft staatssecretaris Schultz van Haegen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat een brief gezonden aan de Tweede Kamer met daarin antwoorden op de vragen van het lid Krahe over het storten van bagger.

Hieronder leest u de volledig brief br.2205 vragen van het lid Krahe over het storten van bagger. Kamerstuk | 2007-01-09.

Geachte voorzitter,

Het lid Krähe van de fractie van de PvdA heeft op 10 oktober 2006 vragen gesteld over het storten van bagger. Mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer doe ik u onderstaande antwoorden toekomen.

  • 1. Heeft u kennisgenomen van het artikel over bagger, waarin twee ambtenaren van Rijkswaterstaat pleiten voor alternatieve methoden voor de verwerking van slib?(1)
    1. Ja. In het bewuste artikel wordt gepleit voor direct hergebruik van verontreinigd slib door toepassing als grondstof in bijvoorbeeld terpen.
    (1)NRC, 5 oktober 2006
  • 2. Zijn er voldoende technische mogelijkheden om bagger op alternatieve wijze te verwerken?
    2. Onderscheid moet worden gemaakt tussen het direct hergebruiken van
    verontreinigd slib enerzijds en het verwerken van verontreinigd slib tot bouwstof
    die voldoet aan het Bouwstoffenbesluit. De technische mogelijkheden om slib
    zonder meer toe passen als bouwgrondstof zijn op dit moment beperkt vanwege
    aanwezige verontreinigingen. Momenteel worden op initiatief van mijn
    departement experimenten uitgevoerd met directe toepassing van verontreinigd
    slib in bijvoorbeeld dijken, wegen en terpen.
    Daarbij worden onder meer de risico’s van het direct toepassen van het verontreinigde slib onderzocht. Afhankelijk van de resultaten van die experimenten zal dan bepaald kunnen worden onder welke technische directe toepassing van verontreinigd slib eventueel zou kunnen plaatsvinden. Ongeacht de uitkomsten van deze experimenten verwacht ik – gezien de omvang van het aanbod van verontreinigd slib – overigens niet dat directe toepassing als bouwstof op termijn de oplossing zal zijn voor de slibproblematiek. Het is misschien wel mogelijk dat directe toepassing van vervuild slib als bouwstof op termijn de toename van de baggerdepots zal afremmen.
    Voor de verwerking van vervuilde baggerspecie tot bouwgrondstof die voldoet aan het bouwstoffenbesluit zijn een aantal technische methoden beschikbaar, zoals zandscheiding, koude immobilisatie en thermische immobilisatie. In de rapportage van de tussenevaluatie van de proef Grootschalige Verwerking van Baggerspecie (TK 2005-2006, 26401, nr. 24) wordt geconcludeerd dat deze methoden in algemene zin niet economisch rendabel uitvoerbaar zijn om een kosteneffectief alternatief voor het bergen in depots te kunnen zijn. Bovendien is het aantal initiatieven uit de markt om technische mogelijkheden te ontwikkelen teleurstellend. Dit beeld wordt bevestigd door de ervaringen opgedaan in de Tijdelijke Stimuleringsregeling Verwerking Baggerspectie (SVB). Het Kabinetsstandpunt waterbodems uit 2005 (TK 2004-2005, 26401, nr. 40) geeft dan ook aan dat niet meer wordt ingezet op grootschalige verwerking.
  • 3. Zou bij de verwerking van slib de zogenaamde ‘ladder van Lansink’ moeten worden gehanteerd en zou het storten van slib dan een laatste optie moeten zijn?
    3. Nee, want er zijn onvoldoende betaalbare alternatieven voor het storten van slib beschikbaar. Zie ook het antwoord op vraag 2.
  • 4. Deelt u de mening dat elke regio zijn eigen slib zou moeten verwerken?
    4. Ja, in beginsel wordt verwerking van slib in de eigen regio nagestreefd. Er zijn Regionale Bestuursakkoorden Waterbodem (RBW’s) opgesteld die bestemmen in de regio beogen.
  • 5. Is het waar dat diegenen die slibstortplaatsen exploiteren het begrip ‘regio’ nogal ruim opvatten en dat nu de situatie dreigt dat regionale slibstortplaatsen, zoals de slibstortplaats in de Ingensche Waarden, gevuld worden met 12 miljoen kubieke meter vervuild slib dat grotendeels niet deze regio is opgebaggerd?
    5. Ik heb geen indicatie dat in baggerdepots op grote schaal slib uit andere regio’s wordt gestort. De handhaving van de vergunningvoorwaarden voor baggerdepots is de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag (in casu de provincie). Volgens de vergunning van het depot Ingensche Waarden kan in het depot zowel natte waterbodem die vrijkomt bij het onderhoud van watergangen en plassen in de
    Rijntakken en regionale wateren (onderhoudsbaggerspecie) als ook droge water-bodem die vrijkomt bij de herinrichting van de uiterwaarden in de Rijntakken (uiterwaardengrond) worden gestort. Het betreft hier voor een deel van buiten de regio afkomstige specie, die voldoet aan de in de vergunning vermelde toegestane concentraties.
  • 6. Bent u op de hoogte van de milieuvergunning die de provincie Gelderland heeft afgegeven voor het storten van vervuild slib tot en met klasse 4 in de Ingensche Waarden in de gemeente Buren en de vele protesten die dat heeft opgeroepen?
    6. Ja, provincie Gelderland is het bevoegd gezag. De bezwaren zijn behandeld in de considerans bij de vergunning. De vergunning is afgegeven voor de klassen 2 tot en met 4, met dien verstande dat er voor klasse 4 een bovengrens is bepaald voor de concentratie vervuilende stoffen.
  • 7. Klopt het dat er geen acute noodzaak is voor extra slibstortplaatsen, omdat bestaande stortplaatsen, zoals bijvoorbeeld de Kaliwaal, nog voldoende capaciteit hebben?
    7. Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bereiden op dit moment een besluit voor (voorgenomen Besluit Bodemkwaliteit) dat meer mogelijkheden biedt tot het hergebruiken van baggersprectie. Echter, gezien de grote hoeveelheden baggerspecie die de komende jaren vrijkomt, zal er voorlopig extra depotruimte nodig zijn. Regionale Bestuursakkoorden Waterbodem zijn bedoeld om afspraken te maken over efficiënt gebruik van baggerdepots. Het is de verwachting dat met de inwerkingtreding van het Besluit Bodemkwaliteit de behoefte aan extra depotcapaciteit minder groot wordt.
  • 8. Klopt het feit dat andere Europese lidstaten Nederland als gidsland zien op het gebied van slibverwerking en dat hier kansen liggen om door samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven te komen tot een innovatief en schoon alternatief voor slibstort en dat dit alternatief economisch en milieutechnisch zeer aantrekkelijk is?
    8. Het is mogelijk dat sommige in Nederland ontwikkelde methoden voor slibverwerking onder bepaalde omstandigheden in het buitenland kosteneffectief zijn, maar Nederland is geen ‘gidsland’ op het gebied van slibverwerking. Het aantal door de markt ontwikkelde betaalbare alternatieven voor storten is te gering, ondanks pogingen van de overheid om de ontwikkeling van die alternatieven te stimuleren. Zie ook het antwoord op vraag 2.
  • 9. Bent u bereid opdracht te geven voor een onderzoek naar alternatieve verwerkingsmethoden? Bent u bereid om de ontwikkelingsexploitatie van nieuwe slibstortplaatsen, zoals de Ingensche Waarden, hangende het onderzoek tegen te houden?
    9. Nee, op dit moment is het niet zinvol opnieuw opdracht te geven voor een onderzoek naar alternatieve verwerkingsmethoden. Uit evaluatie van eerdere onderzoeks- en stimuleringsprogramma’s blijkt dat uitvoering van de gemaakte afspraken over efficiënt gebruik van baggerdepots de beste aanpak is, gezien de hoge kosten rond grootschalige verwerking en het teleurstellende aantal initiatieven uit de markt. Het tegenhouden van de ontwikkelingsexploitatie van nieuwe slibstortplaatsen ligt dan ook niet voor de hand.
  • 10. Bent u bereid om bij wet- of regelgeving vast te stellen dat commerciële bedrijven eerst moeten aantonen dat schone verwerking van slib niet mogelijk is, voordat zij een vergunning voor het storten van slib aanvragen?
    10. Nee. Schone verwerking van slib is slechts beperkt mogelijk en brengt te hoge kosten met zich mee om daadwerkelijk een haalbaar alternatief voor het storten van slib te zijn.
  • 11. Deelt u de mening dat een stortverbod voor klasse 4 slib en zwaarder verontreinigd slib het proces van innovatie en implementatie van alternatieve verwerkingsmethodes zal versnellen?
    11. Nee. Een volledig stortverbod voor klasse 4 slib remt naar mijn mening slechts de uitvoering van de noodzakelijke baggerwerkzaamheden. De proef Grootschalige Verwerking van Baggerspecie heeft aangetoond dat verwerken slechts in bepaalde omstandigheden een reëel alternatief kan zijn voor het storten van baggerspecie. Daarom kiest de overheid voor efficiënt gebruik van baggerdepots.
  • 12. Bent u bereid om in het verlengde van het stortverbod voor afval, een stortverbod voor klasse 4 slib en zwaarder verontreinigd slib af te kondigen?
    12. Nee. Een dergelijk verbod zou de uitvoering van de noodzakelijke baggerwerk-
    zaamheden vertragen en daarmee grote gevolgen hebben voor het hoofdvaar-
    wegennet en het realiseren van de hoogwaterbescherming in het rivierengebied.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,
mw drs M.H. Schultz van Haegen

Achtergrondinformatie (verzorgd door de redactie van Infrasite)
Onderzoek bevestigt veiligheid terp van baggerspecie
Regeling bodemkwaliteit open voor inspraak
Bouw terpen van baggerspecie in Zeeland