Kamerbrief Dienstregeling 2007

Den Haag – Op 18 december 2006 heeft Staatssecretaris Schultz van Haegen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat een brief gezonden aan de Tweede Kamer over de NS-dienstregeling.

Hieronder leest u de eerste 2 pagina’s van de brief met daarin de managementsamenvatting. De volledige brief br.3540 Dienstregeling 2007 | Kamerstuk | 2006-12-18 (25 pagina’s) vindt u op www.verkeerenwaterstaat.nl/actueel/kamerstukken

Geachte voorzitter,

0. Inleiding
Het afgelopen jaar hebben de minister en ik veelvuldig met uw Kamer gesproken over de NS-dienstregeling 2007. De nadruk lag daarbij veelal op de reistijden van, naar, tussen en binnen de landsdelen. In het debat van 30 augustus 2006 heeft de minister aangegeven dat de reistijden belangrijk zijn en dat de mogelijkheden voor reistijdverbetering voor de landsdelen voor 2008 onderzocht zouden worden. In de afgelopen maanden is hierop door NS, ProRail en V&W gestudeerd. Mijn conclusie is dat dit onderzoek een aantal goede, concrete verbetermaatregelen heeft opgeleverd, maar dat elke maatregel om een afweging van dilemma’s vraagt. In deze brief zet ik de resultaten van het onderzoek uiteen.

Managementsamenvatting
In de eerste paragraaf van deze brief worden de noodzaak en het proces van de totstandkoming van de dienstregeling 2007 geschetst. De dienstregeling 2007 vormt een eerste stap om de robuustheid en de capaciteit van het spoor te vergroten en zodoende de groei van zowel goederen- als personenvervoer mogelijk te maken.

Vervolgens worden in paragraaf 2 het analysekader en de randvoorwaarden toegelicht die de grenzen van de zoekruimte en de zoekrichtingen bepalen. Het gaat hier bijvoorbeeld om randvoorwaarden ten aanzien van wet- en regelgeving en infrastructuur. De zoekrichtingen voor reistijdverbetering, eventuele maatregelen en de bijkomende dilemma’s worden uitgebreid behandeld.

Achtereenvolgens komen aan bod alternatieve bedieningsmodellen (3.1), efficiënte benutting van goederenpaden (3.2), plannormen en infrastructurele maatregelen (3.4).

Paragraaf 3.1 gaat in op alternatieve bedieningsmodellen. In de landelijke markt- en capaciteitsanalyse spoor zal worden onderzocht wat nodig is om op de drukste corridors in 2020 spoorboekloos rijden mogelijk te maken (zes Intercity’s en zes Sprinters per uur).Voor de Randstad geldt dat de dienstregeling dan eenvoudig en voorspelbaar moet zijn. Voor de landsdelen is maatwerk mogelijk, omdat het niet reëel is om – op grond van de beperkte vervoersvraag – de frequenties te verwachten die horen bij spoorboekloos rijden. Gezien de nadelige effecten van nieuwe stations op de reistijden op het integrale net, is gestart met de aanpassing van het afwegingskader uit de Beleidsnotitie Aanleg Nieuwe Stations. Ook zet ik een onderzoek naar de kosten en baten van bestaande stations in gang, omdat het opheffen van stops tot reistijdverbetering leidt. Verder bekijk ik of brugopeningen, met name voor pleziervaart, kunnen worden aangepast ten gunste van de doorstroming van treinen.

In paragraaf 3.2 wordt stilgestaan bij efficiëntere benutting van goederenpaden. Allereerst wordt geconstateerd dat het Nederlandse net intensief gebruikt wordt, dat er verschillen tussen goederen- en personenvervoer bestaan en dat beide elkaar in de weg (kunnen) zitten. De door de Kamer voorgestelde homogenisering van rijsnelheden, in casu verhoging van de rijsnelheid van goederentreinen, is interessant maar kan leiden tot dilemma’s, zoals extra geluidshinder. Naar deze dilemma’s is nadere studie vereist. Tevens laat ik onderzoek uitvoeren naar mogelijkheden omtrent differentiatie naar tijd, plaats en baanvak, en prijsprikkels voor efficiëntere benutting van het spoor (gebruiksvergoeding, reserveringsvergoeding en schaarsteheffing).

Paragraaf 3.3 handelt over plannormen en punctualiteit. Op grond van de resultaten met de dienstregeling 2007 zullen de plannormen locatiespecifiek worden aangepast, waarbij de prioriteit op de trajecten naar de landsdelen ligt. Van Zwolle naar Groningen en Leeuwarden wordt reeds een pilot met spelingsvrij rijden uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomsten wordt de pilot naar andere landsdelen uitgebreid. Het ontwikkelen van een representatieve set prestatie-indicatoren, die aansluit bij de behoefte van de reiziger en aspecten van het “van deur tot deur”-principe, wordt bij het traject naar outputsturing van NS opgepakt.

In paragraaf 3.4 wordt stilgestaan bij het pakket aan infrastructurele maatregelen ten behoeve van reistijdverbeteringen, waarbij invulling wordt gegeven aan het begrotingsamendement van € 70 miljoen. In de eerste plaats is er een pakket kosteneffectieve infrastructurele maatregelen (snelheids- en capaciteitsmaatregelen) voor de landsdelen à € 40 miljoen, die binnen twee tot drie jaar realiseerbaar zijn. Dat betreft met name aanpassingen aan bogen en de binnenkomst op stations. In de tweede plaats zijn de mogelijkheden van snelheidsverhogingen tot 160 km/uur beschreven. Ik laat de mogelijkheden onderzoeken om reeds in de dienstregeling 2009 op één of meer baanvakken 160 km/uur te gaan rijden. Daarbij worden bijvoorbeeld vragen omtrent veiligheid, maakbaarheid en kosten betrokken; voor eventuele pilotprojecten is € 30 miljoen gereserveerd. Tevens vindt nader onderzoek plaats naar de kosten van het geschikt maken van trajecten voor 160 km/uur in de landsdelen, onder meer in relatie tot het veiligheids- en overwegenbeleid.

In de conclusie (paragraaf 4) wordt het maatregelenpakket samengevat en wordt ingegaan op het vervolgproces.