Kamervragen inspecties spoorlijn Maastricht-Brussel

Den Haag – Den Haag – Op 22 januari 2007 heeft Minister Peijs van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat een brief gezonden aan de Tweede Kamer met daarin antwoorden op de vragen van de leden Koopmans en Van Hijum inzake inspecties op de spoorlijn Maastricht-Brussel.

Hieronder leest u de volledig brief br.2 Kamervragen van de leden Koopmans en Van Hijum inzake inspecties op de spoorlijn Maastricht-Brussel | Kamerstuk | 2007-01-22.

Geachte voorzitter,

In antwoord op de vragen van de leden Koopmans en Van Hijum over inspecties op de spoorlijn Maastricht-Brussel bericht ik u als volgt.

  • 1. Wanneer en hoe vaak heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat de trein op de spoorlijn Maastricht-Brussel gecontroleerd?
    1. De Inspectie Verkeer en Waterstaat heeft in Maastricht, in met name de maanden mei en juni 2005, 14 inspecties uitgevoerd op de taalbeheersing van machinisten. In 2006 zijn er in totaal 17 inspecties uitgevoerd.
  • 2. Hoe vaak hebben deze controles geleid tot vertraging bij vertrek of de aankomst van deze trein?
    2. De inspecties op zich leiden niet tot vertraging. Echter, wanneer wordt geconstateerd dat een machinist de Nederlandse taal onvoldoende beheerst zal de vervoerder voor vervanging van deze machinist moeten zorgen. Wanneer de vervoerder niet snel voor adequate vervanging kan zorgen ontstaat de kans op vertraging. Voor zover bekend hebben de resultaten van inspecties tot 14 december 2006 niet tot vertragingen geleid.
  • 3. Wat was de reden van deze controles? Is de veiligheid van de reizigers in gevaar geweest en was dit de reden van de controles?
    3. Het Besluit Spoorwegpersoneel bepaalt in artikel 13 lid 1: “Personen die een veiligheidsfunctie uitoefenen beheersen de Nederlandse taal zodanig dat zij de voor de uitoefening van de betrokken functie gebruikelijke procescommunicatie kunnen voeren en begrijpen”. Wanneer een machinist de aanwijzingen van de treindienstleider niet begrijpt ontstaan er veiligheidsrisico’s. Het opheffen van deze risico’s gaat voor de punctualiteit van het treinverkeer. De aanleiding voor deze controles is een viertal meldingen van ProRail in de eerste helft van 2005 waarbij werd aangegeven dat de treindienstleider op het baanvak tussen Eijsden en Maastricht de machinist geen aanwijzing kon geven omdat de machinist onvoldoende Nederlands sprak. Door maatregelen van de treindienstleider kon voorkomen worden dat de veiligheid van de reizigers in gevaar kwam.
  • 4. Is er vooraf met de vervoerder overleg geweest over alle (wettelijke) eisen? Zo ja, was dit overleg naar tevredenheid?
    4. Diverse malen heeft overleg plaatsgevonden, zowel met NMBS – dat feitelijk de machinisten levert en het vervoer verricht onder werking van het veiligheidsattest van NS Reizigers (NSR) – en met NSR. Het meest recent heeft op 28 september 2006 overleg plaatsgevonden waaraan – naast de Inspectie Verkeer en Waterstaat, NSR en NMBS – onder andere ProRail en InfraBel (verantwoordelijk voor het beheer van de Belgische spoorweginfrastructuur) deelnamen. Tijdens dit overleg is afgesproken dat de vervoerders zich in zouden spannen het taalprobleem voor 10 december 2006 op te lossen. Ten aanzien van de te hanteren eisen is afgesproken dat vooruitgekeken zal worden naar de EU-Richtlijn Treinpersoneel en de TSI OPE (Technische Specificatie voor Interoperabiliteit voor het subsysteem Exploitatie en Verkeersleiding, behorend bij de Richtlijn 2001/16/EG). Dit houdt in dat machinisten niet perfect Nederlands hoeven te spreken, maar moeten aantonen dat ze aanwijzingen van de treindienstleider hebben begrepen. De Inspectie Verkeer en Waterstaat hoopte dat met deze afspraken de problemen opgelost zouden zijn.
  • 5. Kunnen deze inspecties ook plaatsvinden zonder dat dit tot overlast voor de reizigers leidt?
    5. Overlast kan ontstaan als er sprake is van het niet naleven van de wettelijke bepalingen, zoals benoemd in het antwoord bij vraag 3, als gevolg waarvan veiligheidsrisico’s ontstaan, die moeten worden weggenomen.
  • 6. Kunt u aangeven waarom niet voor een dergelijke werkwijze is gekozen?
    6. Zie het antwoord op de vragen 2 en 5.
  • 7. Op welke wijze zal de Inspectie Verkeer en Waterstaat in de toekomst controles uitvoeren opdat de overlast voor de reizigers tot een minimum of tot het noodzakelijke beperkt blijft?
    7. Ik zie geen aanleiding wijziging aan te brengen in de wijze waarop de Inspectie Verkeer en Waterstaat de inspecties uitvoert.

Ik vertrouw er op u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,
DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT, Karla Peijs