Kamerbrief over Maeslantkering

Den Haag – Op 23 februari 2006 heeft staatssecretaris Schultz van Haegen van Verkeer en Waterstaat een brief gezonden aan de Tweede Kamer over de Maeslantkering.

Hieronder leest u de volledig Reactie brief Waterschap Hollandse Delta over Maeslantkering.

Geachte voorzitter,

Hierbij zend ik u mijn inhoudelijke reactie op de brief van 21 februari 2006 over
de faalkans van de Maeslantkering van het Waterschap Hollandse Delta, die ik
22 februari 2006 ontvangen heb.

Allereerst wil ik benadrukken dat er geen sprake is van een acuut veiligheidsprobleem
voor de achter de Maeslantkering gelegen gebieden. Sinds de eerste indicaties in 2001
dat de faalkans hoger was dan de ontwerpeis, heeft Rijkswaterstaat direct een groot
aantal maatregelen genomen om de faalkans te verkleinen. Het is dus niet het geval dat
Rijkswaterstaat niets gedaan heeft met deze indicaties. Ik concludeer echter wel dat
eerder contact gelegd had kunnen worden met regionale partners.

Samen met alle waterschappen en provincies werk ik hard om de landelijke rapportage
met het totaalresultaat van de 2e ronde toetsen op veiligheid in het najaar naar uw Kamer
te kunnen sturen. Ik zal daarbij inzichtelijk maken of de waterkeringen voldoen aan de
wettelijke veiligheidsnormen. Tevens zal ik aangeven waar de knelpunten liggen en
welke verbetermaatregelen daarbij op basis van prioritering kunnen worden getroffen.
Ook zal ik een reële planning aangeven voor de verbetermaatregelen.

In de wettelijke systematiek is ingebouwd dat we “achterlopen” met het voldoen aan de
norm. Dit kan omdat we veiliger zijn dan ooit. Ter vergelijking: voor het project Ruimte
voor de rivier hebben we afgesproken dat de maatregelen in 2015 moeten worden
afgerond. Voor zeer urgente gevallen – zoals afgelopen winter bij de Hondsbossche en
Pettemer zeewering – wordt natuurlijk wel direct ingegrepen.

Ik hecht er ten zeerste aan dat het proces van toetsen transparant verloopt en wordt
gedragen door de bestuurlijke partners. Juist om die reden overleg ik veelvuldig met de
bestuurlijke partners, waarbij alle betrokkenen mijn ambitie delen om hard te werken aan
het op orde krijgen en houden van de wettelijk vastgelegde veiligheid.

Ik constateer verwarring tussen de begrippen ontwerp faalkans en wettelijke
veiligheidsnorm. De ontwerp faalkans is 1:1.000. Dit is een kans dat de kering eens per
1.000 sluitvragen niet sluit. De wettelijke veiligheidsnorm voor de Maeslantkering is
1:10.000. Dit betekent dat de kering een waterstand moet kunnen keren met een kans
van voorkomen van gemiddeld één keer per 10.000 jaar.
Overigens is de ontwerp faalkans voor de Maeslantkering niet gedimensioneerd op 1/10
van de wettelijke veiligheidsnorm, zoals de heer Geluk stelt. De faalkans is op 1:1.000
gezet omdat men daarmee deze faalkans verwaarloosbaar klein achtte. Oftewel men
ging destijds ervan uit dat een kering met een dergelijk lage faalkans ‘altijd’ zou sluiten.
Inmiddels weten we dat volgens de huidige inzichten de maximaal haalbare faalkans
1:100 per sluitvraag is.
Wat de invloed van de maximaal haalbare faalkans is voor het veiligheidsniveau kan
met modelberekeningen worden bepaald. Iets vereenvoudigd is de redenering als volgt.
De faalkans op niet sluiten is onafhankelijk van de waterstand. Het niet sluiten van de
kering is pas een probleem bij waterstanden die gemiddeld ongeveer eens in de 70 jaar
voorkomen. Een combinatie van het niet sluiten van de kering met dergelijke
waterstanden komt dus grofweg eens in de 7.000 jaar voor. Vandaar dat ik in mijn vorige
brief aangaf dat de Maeslantkering voldoet een veiligheidsniveau van grofweg 1:7.000.

Naast mijn ambitie om de ‘voordeur’ op orde te hebben, vind ik het belangrijk om te
weten op welke locaties in het achter de Maeslantkering gelegen gebied er door de
huidige maximale faalkans mogelijk problemen kunnen optreden en hoe ernstig deze zijn.
Deze informatie moet komen uit de het onderzoek, waarvan ik melding heb gemaakt in
mijn brief van 20 februari 2006 met als kenmerk RWS/SDG/NW/2006/332/23875.
Rijkswaterstaat voert deze studie op dit moment samen met de betrokken waterschappen
en provincie Zuid-Holland uit. Dit onderzoek, dat het Voorschrift Toetsen op Veiligheid
overigens voorschrijft als een zogenaamde voorliggende kering niet voldoet aan de
wettelijke veiligheidsnorm, zal in augustus 2006 klaar zijn.

Vooruitlopend op resultaten van het in bovengenoemde brief onderzoek kan en wil ik nog
geen conclusies trekken. De in de media getrokken conclusie dat ik nu al zou denken aan
dijkverzwaring in delen van het achtergelegen gebied, is dus te voorbarig. Herprioritering
van middelen is dan ook niet aan de orde.
Wel kan ik toezeggen dat de resultaten op tijd beschikbaar zullen komen om mee te
nemen in de landelijk rapportage over het totaalresultaat van de 2e ronde toetsen op
veiligheid, die ik dit najaar zal toesturen aan uw Kamer.

Tenslotte wil ik benadrukken dat voor mij waterveiligheid voorop staat en dat ik, evenmin
als de heer Geluk, absoluut niet wil tornen aan de wettelijk voorgeschreven
veiligheidsnormen. Waterveiligheid is voor iedereen van groot belang en het is daarom
absoluut noodzakelijk dat alle partijen gezamenlijk optrekken.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT,
mw drs M.H. Schultz van Haegen