Kabinet zet in op windmolens op zee

Den Haag – Om de realisatie van windmolenparken op de Noordzee te versnellen, gaat de overheid de komende jaren gebieden hiervoor aanwijzen. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet voor de winning van meer windenergie op de Noordzee. Dit schrijft staatssecretaris Huizinga van Verkeer en Waterstaat mede namens minister Van der Hoeven van Economische Zaken, minister Cramer van Ruimte en Milieu en minister Verburg van Landbouw op 4 april 2008 aan de Tweede Kamer. In deze brief staat dat bij het ruimtelijk beleid wordt uitgegaan van een gezamenlijk beschikbaar vermogen uit windenergie op de Noordzee van ongeveer 6000 MW in 2020. Ook worden de mogelijkheden onderzocht voor de aanleg van een transportnetwerk naar het vaste land voor de opgewekte energie.

De gebieden voor windmolenparken worden aangewezen binnen het project Ruimtelijk Perspectief Noordzee. Dit project heeft als doel om de verschillende gebruiksfuncties op de Noordzee verantwoord op elkaar af te stemmen. Zo wordt bij het aanwijzen van locaties voor de windmolenparken rekening gehouden met andere belangen. Hierbij kan gedacht worden aan scheepvaart, luchtverkeersveiligheid, natuur, visserij, mijnbouw en defensie.

Onderdeel van deze nieuwe aanpak is dat de vergunningaanvraag gecoördineerd wordt behandeld met de aanvraag voor subsidie voor windmolenparken via een gefaseerde uitgifte van gebieden. Hierdoor zal de vergunning- en subsidieaanvraag voor windmolenparken op de Noordzee sneller en voorspelbaarder verlopen. Bij de verdere uitwerking van dit nieuwe beleid worden belanghebbenden actief betrokken.

De kabinetsambitie is om in het kader van het programma Schoon en Zuinig deze kabinetsperiode te committeren aan 450 MW aan windmolenparken op de Noordzee. Dit zal nog worden gerealiseerd binnen het huidige vergunning- en subsidiestelsel waarbij uitgegaan wordt van de reeds ingediende initiatieven. Nieuwe initiatieven zullen binnen het huidige stelsel niet meer in behandeling worden genomen.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Persbericht Ministerie van Verkeer en Waterstaat