Kamervragen over ongevallen met pijpleidingen

Den Haag – Op 21 oktober 2004 heeft kamerlid Gerkens (SP) vragen gesteld aan de ministers van EZ en VROM over het bericht dat er teveel bijna ongevallen zijn met pijpleidingen in Nederland (Kamervraag 2040502220). De Minister van Economische Zaken, heeft deze vragen mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer beantwoord.

1.Wat is uw mening over het bericht van de vereniging van leidingeigenaren
in Nederland (Velin) dat er teveel bijna ongevallen zouden zijn met pijpleidingen
in Nederland?
In 2004 heb ik door het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) onderzoek laten
uitvoeren naar graafincidenten met kabels en leidingen (getiteld 8216;Verplichte informatie-uitwisseling ondergrondse kabels en leidingen 8217; september 2004). Dit onderzoek betreft incidenten met alle kabels en leidingen terwijl het VELIN-onderzoek zich beperkt tot (bijna) incidenten met hoofdtransportleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Beide onderzoeken bevestigen dat de kans op graafincidenten momenteel te groot is. Overigens is die bij risicovolle hoofdtransportleidingen lager dan bij de rest van de ondergrondse infrastructuur. Desondanks vind ik de tekort­komingen in de huidige praktijk 8211; gelet op veiligheid, leveringszekerheid, economische schade en ondergrondse ordening 8211; te groot. In de brief die ik, mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Verkeer en Waterstaat, hierover op 23 november 2004 aan uw Kamer heb doen toekomen (Kamer­stukken II, 29387, nr.6 ,vindt u een uitgebreide uiteenzetting van de huidige situatie. Ook het bij de brief gevoegde NEN-rapport is hiervoor illustratief. Ik heb in deze brief een wettelijke regeling (grondroerders­regeling) aangekondigd. Deze grondroerdersregeling verplicht grondroerders om voorgenomen werkzaamheden te melden bij één centraal loket, om gebleken onjuistheden in kaartmateriaal terug te koppelen naar de bron (de kabel- en leidingbeheerder), om de kabels en leidingen op de graaflocatie te lokaliseren en om ook verder zorgvuldig te werken. Kabel- en leidingbeheerders worden verplicht om de grondroerder tijdig te voorzien van betrouwbare en bruikbare informatie en om hun eigen registratie te corrigeren voor gebleken onjuistheden. Daarnaast worden zowel kabel- en leidingbeheerders als grondroerders verplicht zich aan te sluiten bij het digitale informatie-uitwisselingsysteem. Mede door de betrokken publieke belangen neig ik ertoe als overheid verantwoordelijk­heid te nemen voor een beperkt deel van de uitvoering (het beheer van het centrale loket). Het gaat daarbij om het organisatorisch onderbrengen van het Klic bij het Kadaster.Zoals uiteengezet in bovengenoemde brief sta ik dus een brede aanpak voor, waarbij enerzijds eisen worden gesteld aan de kwaliteit van de informatie en de wijze waarop deze wordt uitgewisseld en waarbij anderzijds nadere afspraken worden gemaakt tussen met name grondroerders ter verbetering van de uitvoering (graafprotocollen). Alhoewel ik van mening ben dat met deze brede aanpak het aantal graafincidenten aanzienlijk verminderd kan worden, is een (bijna) ongeval nooit geheel uit te sluiten.

2.Wat is uw mening over de opmerking dat als de informatie wel is aangevraagd,
en het toch bijna misgaat, dit meestal te wijten is aan onvoorzichtig handelen
of gebrekkige communicatie? Bent u van mening dat het Kabels en leidingen informatiecentrum (Klic) adequate informatie geeft? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet?
Tussen het aanvragen van informatie door een grondroerder en het bijna misgaan (tijdens de graafactiviteiten door dezelfde grondroerder), zit het verwerken van de aanvraag door Klic en het verstrekken van de gewenste informatie door de betreffende leiding­beheerder(s) aan de grondroerder. Deze laatste twee elementen, die beide
betrekking hebben op het proces van informatie-uitwisseling waarvoor kabel- en leidingbeheerders volledig binnen de eigen invloedsfeer orde op zaken kunnen stellen,
worden niet expliciet vermeld in de opmerking zoals genoemd in de vraag. Waardoor het, ondanks de verbeteringen die binnen het huidige proces van informatie-uitwisseling mogelijk zijn, lijkt alsof er alleen verbeteringen mogelijk zijn bij de grondroerder. Zoals uiteen­gezet in mijn antwoor op vraag 1, vind ik dit ik een te eenzijdige kijk op de huidige praktijk. Verder ben ik van mening dat de informatie die het Klic geeft dan wel die de
diverse kabel- en leidingbeheerders geven (in reactie op een Klic-aanvraag) adequater
kan en ook adequater moet worden. Er moet door Klic dan wel kabel- en leidingbeheerders meer en beter worden ingespeeld op de informatiebehoefte van de graver, zowel in kwaliteit, in snelheid als in presentatie. Vervolgens zal nog steeds de graver nadrukkelijk worden aangesproken op zijn verantwoordelijkheid om zorgvuldig gebruik te maken van deze informatie.

3. Wie controleert of de aannemer daadwerkelijk de graafwerkzaamheden bij het Klic heeft aangemeld? Welke consequenties heeft het voor de aannemer als hij de werkzaamheden niet heeft aangemeld? Vindt u dit afdoende? Zo neen, wat gaat u doen om dat te verbeteren?
Momenteel controleert er vanuit de overheid niemand of een aannemer zijn graafwerk­zaamheden bij het Klic heeft aangemeld. Wel is het zo dat volgens de jurisprudentie het niet doen van een Klic-melding beschouwd wordt als belangrijk tekortschieten in de onderzoeksplicht van de grondroerder. Dat betekent dat de grondroerder in die gevallen waarin er sprake is van een graafincident zonder dat er een Klic-melding is gedaan, geen of minder aanspraak kan maken op uitkering door zijn verzekering. Partijen gaan momen­teel dus zelf na of er in een specifiek (schade)geval een melding heeft plaatsgevonden. Overigens is het doen van een Klic-melding, alhoewel een eerste vereiste voor zorgvuldig graven, op zichzelf nog geen garantie voor het niet veroorzaken van graafschade. Ik verwijs u graag naar mijn antwoord op vraag 1.

4. Welk overzicht heeft de overheid op de (bijna) ongevallen met pijpleidingen? Is er een meldpunt bij de overheid? Zo ja, bevestigt deze de berichten van Velin? Zo neen, hoe is het toezicht dan geregeld? Vindt u dat afdoende? Zo neen, wat gaat u doen om dat te verbeteren?
Binnen de overheid bestaat hiervoor momenteel geen centraal meldpunt. Er bestaat
binnen de overheid dan ook geen goed totaaloverzicht van (bijna) ongevallen met
pijpleidingen. Wel is er een aantal instanties waaraan ongevallen en ernstige incidenten worden gemeld. De eerste is de Raad voor de Transportveiligheid (RvTV). Conform de wet Raad voor de Transportveiligheid, melden pijpleidingeigenaren ongevallen aan de RvTV. De RvTV gebruikt deze informatie echter uitsluitend voor de invulling van zijn onafhankelijke onderzoeksfunctie. De tweede is de Dienst uitvoering en toezicht Energie (DTe). Op grond van de Gaswet rapporteren gasnetbeheerders elk jaar een aantal indicatoren die de kwaliteit van het gasnet beschrijven aan de DTe. Daarnaast worden gasnetbeheerders vanaf 1 januari 2005 tevens verplicht om het aantal ongevallen, het aantal ernstige incidenten en het aantal lekken aan de DTe te rapporteren. De derde is de Arbeidsinspectie. Hieraan worden ernstige ongevallen gemeld, indien daarbij de gezondheid van werknemers in het geding is. Momenteel buigt, in mijn opdracht, de heer Enthoven zich over de belegging van verantwoordelijkheden rond het pijpleidingendossier. Daarin worden nadrukkelijk ook aspecten van toezicht op de veiligheid van pijpleidingen en handhaving meegenomen. Zijn advies wordt nog in december 2004 verwacht.

5. Bent u van mening dat het opstellen van graafprotocollen voldoende is vooral gezien het feit dat Klic al wijst op de verantwoordelijkheden van de aannemers en dit er niet toe heeft geleid dat het gros van de aannemers contact opneemt met het Klic om informatie te krijgen? Zo ja, waarom?
Ik juich de totstandkoming van graafprotocollen toe. Dit komt de veilig­heid zeker ten goede. Ik ben echter van mening dat uitsluitend het hebben van graaf­protocollen onvol­doende is om het aantal graafincidenten te verminderen. Zoals uiteen­gezet in antwoord op vraag 1, zie ik deze als noodzakelijk onderdeel binnen een groter geheel.

6. gewaarborgd? Zo ja, waarop baseert u dit? Zo neen, wat gaat u doen om meer publieke verantwoordelijkheid te nemen?
Ik verwijs u graag naar mijn antwoord op vraag 1.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Persbericht Ministerie Economische Zaken