Notitie “Visie op markttoezicht” naar de Tweede Kamer

Den haag – Minister Brinkhorst van Economische Zaken heeft vandaag namens het kabinet de notitie ‘Visie op markttoezicht’ naar de Tweede Kamer gestuurd. De notitie bevat een standpunt over markttoezichthouders in Nederland (NMa, DTe, Vervoerkamer, Zorgautoriteit i.o., OPTA en AFM).

In de notitie worden functie, taken en verantwoordelijkheden van markttoezichthouders, de relatie tussen markttoezichthouders onderling en met de rijksoverheid, de juridische instrumenten en de kosten en baten van de markttoezichthouders geanalyseerd.
In deze notitie wordt het begrip ‘markttoezicht’ gehanteerd voor het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving die specifiek tot doel heeft marktwerking te bewaken en te bevorderen.
Het kabinet meent dat een sterke markt een sterke overheid vraagt. De overheid laat meer over aan de markt, maar daar waar de overheid een eigen rol heeft, moet deze nadrukkelijker worden ingevuld. De overheid stelt het kader (wat is het speelveld en wat zijn de spelregels?) en speelt de rol van scheidsrechter (blijven maatschappelijke partijen binnen de lijnen van dat speelveld en houden zij zich aan de spelregels). De overheid stelt zo de publieke belangen zeker door het formuleren van heldere randvoorwaarden voor marktpartijen en door toezicht te houden op de naleving van deze spelregels. Markttoezicht versterkt het functioneren van markten. Een markttoezichthouder moet proberen met zo min mogelijk interventies een zo goed mogelijke werking van het marktsysteem te krijgen. Marktpartijen (ondernemers en consumenten) worden daarbij nadrukkelijk aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid. Een toezichthouder fungeert daarbij als controleur en handhaver van staand beleid, informant over uitgevoerd beleid en adviseur over nog te voeren beleid.

In Nederland is onomstreden dat bij toezicht op de werking van markten directe politieke bemoeienis bij de behandeling van individuele zaken onwenselijk is. Ook voor de in deze notitie genoemde markttoezichthouders geldt dat onafhankelijke, professionele oordeelsvorming uitgangspunt moet zijn. Een aanvullende reden voor enige afstand tussen de minister en de toezichthouder wordt gevonden, wanneer de rol van de overheid op de markt een andere is: geen spelbepaler maar medespeler. De minster is verantwoordelijk voor het toezichtsysteem en voor de beleidskaders. Hoewel de minister ook vaak aangesproken wordt op het concreet handelen van de toezichthouder in individuele zaken, is zijn verantwoordelijkheid hier altijd begrensd. In de notitie worden verschillende sturingsinstrumenten inzake beheer en beleid onderscheiden.
De notitie vormt de uitvoering van de motie Heemskerk die werd ingediend tijdens de behandeling van de EZ-begroting in 2003.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Persbericht Ministerie Economische Zaken