Tijdelijk financiële ruimte OV-knelpunten NO-Braban

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben besloten de BBA te ontslaan van haar verplichting om het basisvoorzieningen-niveau in het openbaar vervoer van de concessie Brabant Oost te handhaven. Dit heeft tot gevolg dat het aantal buslijnen en/of –ritten minder wordt. Voor de grootste knelpunten springt de provincie tot 1 april 2004 financieel bij. Het betreft buslijnen cq –ritten waarvoor de BBA een alternatief kan bieden met ingang van uiterlijk 1 april 2004.

De bezuinigingen zijn het gevolg van enerzijds rijksbezuinigingen op het openbaar vervoer en anderzijds minder reizigers in Noordoost Brabant waardoor de reizigersinkomsten voor de BBA tegenvallen. Het reizigersoverleg Brabant en de BBA hebben het totaal van 37% bezuinigingen weten terug te brengen tot 8% bezuinigingen in het aanbod aan openbaar vervoer.

De bezuiniging in Noordoost Brabant is de uitkomst van een constructief overleg tussen Reizigersoverleg Brabant en de BBA. Naar smaak van de provincie is de nu voorliggende dienstregeling, inclusief zoektocht naar alternatieven, het best haalbare. De provincie realiseert zich terdege dat het basisvoorzieningenniveau achteruitgaat, maar wil door de extra financiële ruimte tijd kopen om de bereikbaarheid van het platteland met openbaar vervoer enigszins op peil te houden. GS verwachten dat de financiële en vervoerkundige mogelijkheden van het gebied in evenwicht zijn gebracht met het aanbod aan openbaar vervoer.

De bezuinigingsvoorstellen van het BBA behelzen het laten vervallen van voorzieningen op ritniveau, het laten vervallen van complete verbindingen en reconstructies van een aantal parallel lopende lijnen. In feite is er met het dienstregelingvoorstel voor 14 december sprake van gedeeltelijke herijking van het OV-net.

GS onderkennen dat de nieuwe dienstregeling tot een achteruitgang van de beschikbaarheid aan OV leidt maar onderkent tevens dat zowel het proces als de inhoudelijke toetsing in het advies- en instemmingstraject van het ROB waardevolle gevolgen en bruikbare adviezen heeft opgeleverd. Zozeer zelfs dat de provincie zal stimuleren dat zoveel mogelijk kwalitatieve adviezen van het ROB, voor zover die nog niet op 14 december ingevoerd zijn of kunnen worden, op later datum worden geïmplementeerd. Tevens zal het College bij de beoordeling van de uitvoering van de concessie een groot belang blijven hechten aan de vernieuwing van het openbaar vervoer en BBA hier bij de evaluatie van de concessie (april 2004) op beoordelen.

Verder geven GS de BBA en het ROB een kans om voor een aantal knelpunten alsnog een alternatieve en betere oplossingen te bedenken.
Voorwaarden daarbij zijn:
– dat deze alternatieven per 1 april 2004 implementeerbaar en structureel zijn;
– dat het om echte pijnpunten voor te onderscheiden groepen van reizigers moet gaan en niet om individuele problematieken;
– dat de provincie zich ook kan vinden in de nut en noodzaak ervan.
De belangrijkste knelpunten uit het advies van het ROB zijn ingrepen op de lijnen 23, 154, 160, 161 en 162.

Concessie
Op 1 januari 2002 is de concessie Openbaar Vervoer Oostelijk Noord-Brabant van start gegaan. Het financiële vooruitzicht voor de exploitatiebijdrage over de gehele concessieperiode van 4 jaar bedroeg € 31,7 miljoen ten tijde van de Europese inschrijving op deze concessie ( op prijspeil 2002 en bij een jaarlijkse groei van 2,5 %). In de loop van de eerste maanden van het jaar 2003 werd duidelijk dat dit financiële vooruitzicht neerwaarts bijgesteld moesten worden tot het niveau van € 26,8 miljoen (-€5,9 miljoen, -18,5%, verrekend over de laatste twee concessiejaren: -37%). Deze neerwaartse bijstelling wordt veroorzaakt door een daling van reizigersinkomsten van voor 1 januari 2002 evenals een extra taakstellende bezuiniging van het rijk.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Persbericht provincie Noord-Brabant