Spoortracé niet mee in milieueffectrapportage RijnlandRoute

Veel technische risico’s en hoge kosten, dat is in grote lijnen de uitkomst van de quick scan die is uitgevoerd naar het Spoortracé, één van de alternatieven voor de RijnlandRoute. Op grond van dit onderzoek blijkt het Spoortracé onvoldoende aantrekkelijk om op te nemen in de milieueffectrapportage (m.e.r.) voor de RijnlandRoute. Daartoe hebben Gedeputeerde Staten besloten. “Het spoortrace blijkt helaas niet de kip met gouden eieren”, zegt Asje van Dijk (CDA) gedeputeerde Verkeer en Vervoer. “Wel heeft het ons laten zien hoe waardevol het is om met mensen die in de omgeving wonen en met maatschappelijke organisaties samen aan de slag te zijn. We hebben afgesproken daarmee door te gaan tijdens het m.e.r.-onderzoek. Dat is winst: je wisselt kennis uit, luistert naar elkaars kritiek en komt gezamenlijk tot een meer gedragen eindresultaat.”

Uit het onderzoek kwam naar voren dat het Spoortracé mogelijk relatief gunstig scoort in termen van reistijden. Maar aangezien de kosten van het Spoortracé ruim twee keer hoger uitvallen dan de kosten van (de verdiepte liggingsvarianten van) het N11 west tracé is dit onvoldoende argumentatie om het tracé wel mee te nemen. De investeringskosten voor het Spoortracé bedragen namelijk € 747 miljoen tegenover € 325 miljoen voor bovengenoemde N11west tracévariant. De kosten voor het tracé zijn zelfs hoger dan het eerder afgevallen Korte Vliet tracé. Ook de technische risico’s, zoals het boren onder een spoor, zijn te hoog en daardoor medebepalend voor het niet meenemen van dit tracé in de m.e.r.

Interactief proces

De indieners van het spoortracé-alternatief zijn uitdrukkelijk bij de uitvoering van de quick scan betrokken. Direct na de vergadering van Provinciale Staten is een start gemaakt met een interactief proces met de indieners van alternatieve tracévoorstellen. Zij hadden deze voorstellen naar voren gebracht tijdens de commissievergadering van 11 juni jl. De resultaten van de Quick-Scan zijn ook besproken met de indieners van het voorstel.

Vervolg

De volgende stap in de procedure is het opnemen van de uitkomst van dit onderzoek in de Startnotitie die voor de Project-m.e.r. wordt opgesteld. In deze notitie worden onder meer beschreven welke oplossingen onderzocht worden. Naast verschillende uitvoeringsvarianten van het N11 west tracé behoren ook het alternatief, waarbij nauwelijks extra maatregelen worden getroffen (nulalternatief), het alternatief waarbij het bestaande tracé ingrijpend wordt aangepast (nul-plus(plus)alternatief) en het Meest Milieuvriendelijk Alternatief (MMA) daartoe.

De Startnotitie zal door GS in november 2008 worden vastgesteld waarna de terinzagelegging en inspraak en advies volgen (dec. 2008 – febr. 2009). Vervolgens stelt het Bevoegd Gezag de richtlijnen voor de m.e.r. op (maart/april 2009).

In 2009 zal de Project-m.e.r. worden afgerond, waarna de voorbereidingen voor de ruimtelijke besluitvorming zullen volgen.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Persbericht provincie Zuid-Holland