Conjunctuurmeting bouwnijverheid april 2005

Amsterdam – Eind april 2005 is de orderportefeuille in de bouwnijverheid met 0,2 maand gegroeid tot 7,4 maanden. Dit niveau werd sinds juni 2002 niet meer bereikt. Zowel de grond-, water- en wegenbouw als de burgerlijke- en utiliteitsbouw dragen bij aan deze groei. In de gww nam de orderportefeuille toe met 0,4 maand tot 4,9 maanden (zie figuur 2). Beide subsectoren zijn verantwoordelijk voor deze toename. De grootste stijging vond echter plaats in de grond- en waterbouw; hier steeg de orderportefeuille met 0,6 maand tot 5 maanden. De stijgende trend in de orderportefeuille in de b&u die in december 2004 is ingezet, is in april 2005 voortzet. Met een groei van 0,2 maand kwam deze eind april uit op 8 maanden; het hoogste niveau sinds drie jaar.

In hun oordeel over de bouwconjunctuur laten de bedrijven een duidelijk positiever beeld zien dan een jaar geleden. Dit geldt met name voor de bedrijven in de gww. Als grootste stagnatieoorzaak wordt, evenals vorig jaar, het uitblijven van orders genoemd. In de b&u ondervindt 13% van de bedrijven hinder door een tekort aan orders tegenover 16% een jaar geleden. In de gww daalde dit aandeel van 25% eind april 2004 naar 14% nu. Per saldo zijn de bedrijven eind april 2005 positief over de te verwachten personele ontwikkelingen, een jaar eerder was dit saldo nog negatief. In de b&u verwacht 12% van de bedrijven dat het personeelsbestand de komende maanden zal groeien, terwijl 6% juist aan een inkrimping denkt. Van de bedrijven in de gww verwacht 10% een stijging van het aantal personeelsleden tegenover 5% dat een daling verwacht. Vorig jaar verwachtte maar liefst 36% van de gww-bedrijven een personeelsdaling en slechts 3% een stijging.

Vijftien procent van de bedrijven verwacht dat de afzetprijzen de komende maanden zullen stijgen; bijna 2% verwacht een daling van de afzetprijzen. In de gww verwacht 8% van de bedrijven een prijsstijging, terwijl 1% een prijsdaling voorspelt; deze percentages waren dezelfde periode een jaar eerder nog 1 respectievelijk 6 procent.

Ondanks bovenstaande uitkomsten beoordeelt één op de vijf bedrijven het onderhanden werk als klein. Dit is echter wel een daling ten opzichte van een jaar geleden toen bijna één op de drie bedrijven het onderhanden werk als klein beoordeelde. Het percentage bedrijven dat de werkvoorraad als groot beoordeelt, is gestegen van 8% in april 2004 tot 14% nu.

Deze gegevens blijken uit de conjunctuurmeting in de bouwnijverheid van april 2005 van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid. Deze meting wordt uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie. Aan de conjunctuurmeting verlenen ruim 400 hoofdaannemingsbedrijven met meer dan tien personeelsleden hun medewerking.