Buitenlandse concurrentie toegenomen

Amsterdam – In de afgelopen tien jaar is de aanwezigheid van buitenlandse bouwbedrijven in Nederland toegenomen, vooral onder invloed van de hoogconjunctuur rond de eeuwwisseling en de aanleg van grote infrastructurele projecten. De concurrentie beperkt zich echter vooral tot deze grote projecten. Buitenlandse bouwbedrijven werken meestal in combinatie met Nederlandse bedrijven. Zelfstandig aan projecten werken of het overnemen van Nederlandse bedrijven komt aanzienlijk minder vaak voor. Dit blijkt uit het EIB-rapport ‘Buitenlandse concurrentie op de Nederlandse bouwmarkt’.

Begin jaren negentig werd gevreesd dat buitenlandse bouwbedrijven de Nederlandse markt zouden overspoelen. Daarvan is geen sprake geweest. Wel zijn op vrijwel alle ‘majeure’ bouwprojecten buitenlandse bedrijven aanwezig (bijvoorbeeld Betuwelijn, HSL, Noordzuidlijn Amsterdam, Westerscheldetunnel, waterzuivering Harnaschpolder, A59). Uit de top 5 van de Duitse, de Belgische en de Franse bouwbedrijven zijn de meeste in enigerlei vorm actief op de Nederlandse markt, Britse bedrijven daarentegen nauwelijks. Er zijn drie typen buitenlandse bedrijven aangetroffen: grote internationals die Europabreed of zelfs mondiaal totaalpakketten aanbieden (van ontwerp tot aanleg en beheer), bedrijven met een ‘hit and run’ strategie die hun specialisme bij specifieke projecten aanbieden (tunnelbouw, betonbouw) en grenshoppers die in de grensregio actief zijn (vooral in de b&u).

Buitenlandse bouwbedrijven zijn vooral actief door in combinatie te werken met één of meer Nederlandse bedrijven. Buitenlandse betrokkenheid betreft vrijwel altijd specialismen die in Nederland minder vertegenwoordigd zijn. Sommige buitenlandse bedrijven zetten een eigen vestiging op, nadat ze enige tijd met Nederlanders hebben samengewerkt. Direct werken vanuit het buitenland komt, de grensregio’s uitgezonderd, nauwelijks voor.

De gevolgen van buitenlandse concurrentie voor de Nederlandse bouwbedrijven verschillen sterk met de omvang en de sector. Twee derde van de grote gww-bedrijven ondervindt buitenlandse concurrentie. Bij grote b&u-bedrijven is dit maar een kwart. Kleine bedrijven ondervinden minder concurrentie dan grote. Overigens wordt door Nederlandse bedrijven ook regelmatig samengewerkt met buitenlanders.

Grote opdrachtgevers, met name in de gww, hebben de buitenlandse belangstelling gestimuleerd. Vooral de vergroting van de concurrentie en het innovatief vermogen van grote buitenlandse bouwers speelden hierbij een rol. Hoewel meerdere opdrachtgevers bij concrete projecten de buitenlandse interesse hebben gepeild, is de uiteindelijke belangstelling vaak tegengevallen. Taal, (bouw)cultuur en kennis van de fysieke omgeving vormen nog steeds belangrijke belemmeringen, vooral in een bedrijfstak waar het product op locatie moet worden geleverd.

Buitenlandse bedrijven hebben vaak meer ervaring met zogenaamde innovatieve contractvormen. Of dit op de Nederlandse markt een voordeel is, hangt af van de activiteiten die opdrachtgevers bij een aanbesteding meenemen en van de mate waarin nieuwe contractvormen in de toekomst zullen worden toegepast.

De buitenlandse concurrentie kent conjuncturele en structurele aspecten. Onder invloed van de verdere Europese eenwording en harmonisatie van procedures en normen zou de concurrentie op de langere termijn groter kunnen worden. Op korte termijn is dit vanwege de matige marktgroei in de bouw en in het bijzonder de gww echter niet te verwachten. Buitenlandse bedrijven laten hun beslissing om hier op de markt actief te zijn in belangrijke mate afhangen van het te behalen rendement. Prijsconcurrentie zullen zij hierbij zoveel mogelijk mijden.

U kunt het rapport ‘Buitenlandse concurrentie op de Nederlandse bouwmarkt’ inzien op de internetsite van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid.