Eisen aan ontwikkeling energiecentrales Rijnmond

Den Haag – Gedeputeerde Staten hebben een beoordelingskader vastgesteld voor nieuwe energiecentrales in het Rijnmondgebied. Het gebrek aan fysieke ruimte en beschikbare milieuruimte voor nieuwe centrales maakt dit noodzakelijk. Het kader bevat richtlijnen op het gebied van emissies en verwachtingen met betrekking tot extra inspanningen van energiebedrijven.

De energiemarkt van Noordwest-Europa is volop in beweging. In de regio Rijnmond is sprake van zeven initiatieven voor nieuwe elektriciteitscentrales. De aantrekkelijkheid van Rotterdam als vestigingslocatie is mede ingegeven door de voordelen van het haven- en industriecomplex op het gebied van logistiek en beschikbaarheid van koelwater. De zeven initiatieven houden verband met een naderend tekort aan elektriciteitsproductievermogen in Nederland en het belang van relatief goedkope elektriciteit uit steenkool. De beperkingen in de regio op het gebied van milieu zijn voor de betrokken overheden (ministerie van Economische Zaken, ministerie van VROM, provincie Zuid-Holland en Milieudienst Rijnmond DCMR) aanleiding geweest voor het opstellen van een gezamenlijk beoordelingskader voor het beoordelen van nieuwe energie-initiatieven in het havengebied.

"In Zuid-Holland hanteren we een streng milieubeleid", aldus gedeputeerde Erik van Heijningen. "Dat moet ook, want de ruimte voor industrie, wonen, werken en recreëren is beperkt. We willen bij nieuwbouw dat energiebedrijven gebruik gaan maken van de nieuwste en schoonste milieutechnieken. We kiezen echter niet tussen bijvoorbeeld aardgas en steenkool, dat laten we aan de markt over. Het beoordelingskader bevat daarom richtlijnen die onafhankelijk van de gebruikte techniek en brandstof kunnen worden gehanteerd."

Vanwege de beperkte milieuruimte in Rotterdam Rijnmond is het noodzakelijk dat binnen de mogelijkheden van de IPPCrichtlijn de scherpste emissie-eisen worden voorgeschreven. In het beoordelingskader is voor poederkoolcentrales, gascentrales en kolenvergassingsinstallaties aangegeven hoeveel milligram zwaveldioxide, koolmonoxide en (fijn)stof per kubieke meter lucht mag worden uitgestoten. Verder wordt in het kader onder meer gesteld dat bijstook van biomassa in kolencentrales wenselijk is en dat wordt verwacht dat de nieuwe centrales hiervoor geschikt zullen zijn. De provincie wil met de energiebedrijven duidelijke afspraken maken over de randvoorwaarden om biomassa in te zetten. Tenslotte wordt er van uitgegaan dat de nieuwe centrales zich maximaal inspannen om warmte te leveren aan andere industriële bedrijven, woningen en de glastuinbouw en dat de centrales zo ver als mogelijk zijn voorbereid op afvang en opslag van het broeikasgas koolstofdioxide. Dit is nodig omdat de uitstoot van broeikasgassen in de toekomst verder zal worden beperkt.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Provincie Zuid-Holland