EIB: Orderportefeuille in de bouw stabiel

De orderportefeuille in de gehele bouw is in april op 5,9 maanden uitgekomen. De werkvoorraad is hiermee op hetzelfde niveau gebleven als een maand eerder. Dit geldt ook voor de twee deelsectoren burgerlijke en utiliteitsbouw en de grond- water- en wegenbouw. Alleen binnen de gww was sprake van een uiteenlopende ontwikkeling van de orderportefeuilles. In de wegenbouw is de werkvoorraad met vier tiende maand afgenomen en is daarmee uitgekomen op 5,3 maanden, terwijl in de grond- en waterbouw de werkvoorraad met drie tiende maand is toegenomen naar 6,5 maanden.

Van de bouwbedrijven geeft ruim de helft aan geen stagnatie in onderhanden werk te ondervinden. Ruim vier van de tien bedrijven ondervinden in de bouw stagnatie als gevolg van onvoldoende orders. De helft van de bedrijven beoordeelt hun huidige orderpositie als normaal, terwijl bijna de helft deze als klein beoordeelt. Bijna een kwart van de bedrijven verwacht een krimp van het personeelsbestand. Negen van de tien bouwbedrijven verwachten geen verandering van hun prijzen.

Dit blijkt uit de conjunctuurmeting in de bouwnijverheid van mei 2014 van het Economisch Instituut voor de Bouw. Deze meting wordt uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie. Aan de conjunctuurmeting verlenen ruim 400 hoofdaannemingsbedrijven met meer dan tien personeelsleden hun medewerking.

Om technische redenen zijn de resultaten voor de maanden februari en maart niet eerder gepubliceerd. De tabellen en figuren met de resultaten van de afzonderlijke metingen zijn als bijlagen opgenomen. De orderportefeuille in de bouw is in de maanden februari tot en met april blijven steken op 5,9 maanden, 0,2 maand hoger dan in de maand januari. De werkvoorraad in de burgerlijke en utiliteitsbouw lag in deze maanden eveneens op 5,9 maanden, 0,3 maand hoger dan in januari. De orderportefeuille in de gww daalde in februari eerst met 0,2 maand tot 5,7 maanden en kwam vervolgens in de twee hierop volgende maanden uit op 5,9 maanden.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB)