Samenwerken in de Eurodelta

Den Haag – In een op 23 december 2005 uitgebracht advies pleit de Raad voor Verkeer en Waterstaat voor brede euregionale samenwerking tussen Nederland, België en Duitsland. Doel: versterking van de positie van elk van de drie landen in het economische kerngebied van continentaal Noordwest-Europa. De Raad heeft dit gebied de werktitel “Eurodelta” meegegeven, en rekent daartoe voorlopig de volgende deelgebieden: in Nederland de randstad en de “corridorprovincies” naar het oosten en het zuiden, in België Vlaanderen inclusief Brussel en Luik, en in Duitsland de deelstaat Noordrijn-Westfalen.

Dit geografisch aaneengesloten gebied vertoont een grote economische samenhang en herbergt tenminste vier stedelijke clusters, die elk hun eigen metropoolambities hebben: Randstad/Deltametropool. Brabantstad, Vlaamse Ruit, Ruhrgebied.

De Raad adviseert belanghebbende partijen om te komen tot een gezamenlijke toekomstvisie voor het Eurodeltagebied. En roept op tot actieve beleidsafstemming op terreinen als economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, aanleg/ verbetering van infrastructuren, mobiliteit, verkeer, vervoer, logistiek, e.d.

De Eurodelta concurreert op de wereldmarkt met andere economische kerngebieden in Europa zoals de gebieden rond Londen, Parijs en Milaan, maar ook met (de havengebieden van) Noord-Duitsland. Er is behoefte aan krachtenbundeling naast gezonde onderlinge concurrentie. Het internationale beleidsmotto voor het Eurodeltagebied zou volgens de Raad moeten worden: “gezamenlijke promotie, individuele acquisitie”.

De Raad spoort publieke en private partijen “die zich aangesproken voelen” aan tot acties, zoals: beginnen met de opbouw van een strategische agenda voor het Eurodeltagebied, meer samenwerking tussen planbureaus en onderzoeksinstellingen bij grensoverschrijdend onderzoek, onderzoek naar de “unique selling points” van het Eurodeltagebied t.o.v. andere metropoolgebieden, gezamenlijke internationale promotie, en regelmatige agendering van brede euregionale samenwerking in de diverse politieke overleggremia.

Dit advies Samenwerken in de Eurodelta is in een aantal opzichten “anders” dan de adviezen die de Raad voor Verkeer en Waterstaat doorgaans uitbrengt, aldus raadsvoorzitter Friso de Zeeuw in zijn voorwoord. Het advies heeft uitdrukkelijk een internationale oriëntatie, het overstijgt het werkterrein van “verkeer en waterstaat”, het gaat minder om het oplossen van problemen en meer om het benutten van kansen en uitdagingen, het heeft een verkennend karakter en is nog niet gebaseerd op gedegen beleidsonderzoek en heeft dan ook geen pretentie van volledigheid. Het advies wijst vooral op mogelijke richtingen van actie.

Het Eurodeltagebied, zoals door de Raad als werkhypothese omschreven, vormt een essentiële pijler onder de economie van elk van de drie betrokken landen. Het ontbreekt echter aan betrouwbare geaggregeerde informatie over de feitelijke economische samenhang en verwevenheid in het gebied. Er zijn wel nationale, en binnenlands regionale statistieken, en cijfers over de kleinere NUTS-regio’s in Europa. Er zijn nauwelijks tot geen betrouwbare cijfers over de grotere euregionale verbanden binnen Europa.

De Raad heeft door NEA onderzoek laten doen, onder meer naar de onderlinge import- en exportrelaties tussen de Nederlandse, Belgische en Duitse onderdelen van het Eurodeltagebied. Hieruit blijkt dat sprake is van een zeer grote economische samenhang en verwevenheid. Aanvullend onderzoek is, volgens de Raad, nodig om die verwevenheid nader in kaart te brengen, ten behoeve van de effectiviteit van toekomstige beleidsmaatregelen op terreinen als economische ontwikkeling ruimtelijke inrichting, infrastructuur, verkeer, vervoer, logistiek.

Voor de grensgebieden tussen Nederland, België en Duitsland is de Raad in het advies eveneens uitgegaan van een werkhypothese: het wegvallen van de Europese binnengrenzen en daarmee gepaard gaande harmonisatiebewegingen zullen de komende jaren met name in de grensregio’s leiden tot versnelde economische, sociale, demografische patroonveranderingen.
Er zijn volgens de Raad in de praktijk twee typen patroonveranderingen in rond en de grensregio’s waarneembaar:
– een toenemend aantal samenwerkingsorganisaties die op regionaal-lokaal niveau grensoverschrijdende initiatieven en projecten trachten te formuleren en te monitoren;
– daadwerkelijke verschuivingen in grensoverschrijdend verkeer door veranderingen op gebieden als bedrijfsvestiging, zaken doen, werken, wonen, winkelen, uitgaan, studeren, e.d.

Iedereen kent daarvan wel een of enkele voorbeelden. Maar ook hier geldt dat er (te) weinig geaggregeerde informatie over deze patroonveranderingen beschikbaar is, terwijl die informatie wel nodig is met het oog op toekomstige beleidsmaatregelen in het Eurodeltagebied.

Bij acties om de samenwerking in het Eurodeltagebied te versterken dient rekening te worden gehouden met een tweetal complicerende factoren. Dit betreft de zgn. bestuurlijke incongruentie (de onderdelen van het Eurodelta-gebied liggen bestuurlijk niet op hetzelfde niveau) en de vaak beladen historie van de grote grensoverschrijdende dossiers (Betuwelijn, Westerschelde, HSL). De Raad signaleert dat op beide gebieden de laatste tijd gelukkig sprake is van belangrijke positieve ontwikkelingen, maar dat voor beide punten wel extra aandacht nodig blijft, vooral in de belevingssfeer van diverse regionale en lokale betrokkenen.

De Raad brengt het advies Samenwerken in de Eurodelta formeel uit aan de ministers van Verkeer en Waterstaat, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, en Economische Zaken. Vanuit de Nederlandse rijksoverheid zijn dit de drie ministeries die verantwoordelijk zijn voor de beleidsgebieden waarvan de Raad bepleit om ze in de toekomst mede vanuit Eurodelta-optiek te gaan bezien: economische ontwikkeling, ruimtelijke inrichting, aanleg/verbetering infrastructuren, verkeer, vervoer, logistiek.

De Raad verwacht echter zeker niet alleen van deze ministeries actie. De Raad ziet juist graag een proces op gang komen waarin het vooral anderen zijn die in de eerste plaats aan de slag gaan. De adviezen van de Raad richten zich materieel tot “wie zich aangesproken voelt” om de eventuele kansen te benutten die bredere euregionale samenwerking tussen Nederland, België en Duitsland kunnen bieden.
De Raad heeft dan ook tot zijn genoegen geconstateerd dat het College van Bestuur van het Knooppunt Arnhem-Nijmegen het initiatief zal nemen tot een “Eurodelta-conferentie” in het voorjaar van 2006, om daarin samen met andere geïnteresseerde partijen na te gaan hoe een agenda voor strategische samenwerking in het Eurodeltagebied het best gestalte kan krijgen.

Auteur: Redactie Infrasite

Bron: Raad voor Verkeer en Waterstaat